Belasting

Erfbelasting

Artikel

2.7.1.0.9 VCF

Voorwerp betwisting

Bedekte bevoordeling – berekeningswijze gelijkwaardigheid prestaties artikel 2.7.1.0.9 VCF

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2018/AR/918

Datum uitspraak

09/04/2019

Status

Definitief

 

Bedekte bevoordeling – berekeningswijze gelijkwaardigheid prestaties artikel 2.7.1.0.9 VCF

 

Samenvatting

Op 26 februari 2009 maakt een erflater een testament op waarbij een algemene legataris wordt aangeduid (de betrokken belastingplichtige is de neef van erflater).

Op 12 augustus 2013 verkoopt de erflater bij notariële akte de blote eigendom van haar woning aan de belastingplichtige en zijn echtgenote voor de prijs van 182.800 EUR.

Deze koopprijs werd onmiddellijk omgezet in een lijfrente op hoofd van de erflater ten belope van 750 euro, maandelijks betaalbaar gedurende 20 jaar tot de dag van het overlijden van de erflater.

Tot waarborg van de niet-betaalde koopsom en verschuldigde lijfrente werd een ambtshalve inschrijving genomen op het woonhuis voor een bedrag van 182.800 EUR.

De waarde van de volle eigendom werd door de partijen bepaald op 250.000 EUR en de waarde van het vruchtgebruik op 67.200 EUR (zijnde de jaarlijkse huurwaarde van 8.400 x leeftijdscoëfficiënt 8 op basis van artikel 2.9.3.0.4, §1 VCF)

Op 18 januari 2015 overlijdt de erflater.

Enige tijd later dient de belastingplichtige een aangifte in met totaal onroerend vermogen van 0 euro.

Bij het behandelen van deze aangifte vraagt Vlabel aan de notaris die de aangifte had ingediend in toepassing van de artikelen 2.7.1.0.9, 2.7.3.3.5 en 2.7.5.0.5 VCF (oud artikel 11 W. Succ.) de verkoopakte, het authentiek testament en de bewijsstukken van de betaalde lijfrente voor te leggen. Ook werd door Vlabel aan de notaris de actuele waarde van het onroerend goed gevraagd en verkregen.

Vlabel stelt dat er sprake is van een bedekte bevoordeling en verstuurt een aanslagbiljet met toepassing van art. 2.7.1.0.9 VCF.

De belastingplichtige is hiermee niet akkoord en richt zich na een negatieve bezwaarbeslissing tot de rechtbank.

  • Het hof van beroep stelt dat aan alle toepassingsvoorwaarden vermeld in artikel 2.7.1.0.9, eerste lid VCF in hoofde van belastingplichtige is voldaan:
     

    • het onroerend goed werd door de erflater onder bezwarende titel verkocht aan de belastingplichtige en zijn echtgenote
    • de erflater heeft zich volgens de overeenkomst een vruchtgebruik voorbehouden
    • de erflater heeft niet langer geleefd dan de belastingplichtige
    • de belastingplichtige behoort tot de personen vermeld in artikel 2.7.3.4.4 VCF, eerste, tweede en derde lid: hij werd immers als enige en algemene legataris aangesteld bij authentiek testament.
  • Als gevolg hiervan is het wettelijk vermoeden van toepassing en wordt het onroerend goed voor de heffing van de erfbelasting geacht in volle eigendom deel uit te maken van de nalatenschap van de erflater en door de belastingplichtige als legaat te zijn verkregen, tenzij wordt bewezen dat de verkoop geen bedekte bevoordeling van de belastingplichtige is.
  • Om te bewijzen dat er geen sprake is van een bedekte beoordeling moet bewezen worden dat:
    • de waarde van de levenslange prestaties gelijkwaardig is aan de waarde van het overgedragen goed
    • dat het de bedoeling was van de partijen om deze prestaties ook werkelijk uit te voeren.

Er is geen betwisting omtrent de voorwaarde dat het de bedoeling was van partijen om levenslange prestaties werkelijk uit te voeren.

De betwisting tussen de partijen betreft de berekening van de waarde van het overgedragen goed enerzijds, en de berekening van de waarde van de levenslange prestaties, anderzijds.  Er bestaan geen wettelijke of vaste regels voor de berekening van de gelijkwaardigheid

Noch artikel 2.7.1.0.9 VCF noch andere bepalingen van de codex voorzien iets terzake. De gelijkwaardigheid dient te worden beoordeeld overeenkomstig de regels van het gemeen recht (zie ook J. Decuyper en J. Ruyssseveldt, Successierechten 2016-2017, nrs. 364 en 342)

De belastingplichtige stelt dat de waarde van het overgedragen goed de waarde van de blote eigendom betreft, zoals die in de notariële akte werd bepaald.

Vlabel stelt dat de waarde van het overgedragen goed de waarde van de volle eigendom betreft en dat met de waarde van het vruchtgebruik moet rekening gehouden worden bij het bepalen van de waarde van de levenslange prestaties.

Die zienswijze van Vlabel wordt gevolgd door het Hof (itt de eerste rechter). De levenslange prestaties bestaan immers niet alleen uit de maandelijkse rente maar ook uit het door de erflater voorbehouden vruchtgebruik. Deze levenslange prestaties dienen gelijkwaardig te zijn aan de waarde van het door de belastingplichtige overgenomen onroerend goed.

  • De relevante vraag is te weten hoe de waarde van het vruchtgebruik moet worden bepaald.

De belastingplichtige stelt dat het vruchtgebruik met toepassing van de methode vermeld in artikel 47 W.Succ. (thans artikel 2.9.3.0.4, § 1 VCF) mag worden gewaardeerd. Evenwel met deze methode kan niet de werkelijke waarde van het vruchtgebruik worden bepaald want deze methode is bedoeld om de minimale belastbare grondslag in het verkooprecht te bepalen. De daarin vermelde leeftijdscoëfficiënten zijn geen nauwkeurige gemiddelde levensverwachtingscoëfficiënten, reden waarom deze methode niet geschikt is om de werkelijke waarde van het vruchtgebruik voor toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF te bepalen.

Om de waarde van het vruchtgebruik te bepalen op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte volgt het hof de stelling van Vlabel dat het gebruikelijk is om de jaarlijkse huurwaarde te kapitaliseren aan een normale rentevoet van 4% rekening houdend met de levensverwachting van de erflater op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte.

Concreet in dit dossier:

  • De tegenprestatie is hier het voorbehoud van vruchtgebruik geschat op €8.400/jaar en de lijfrente €9.000 per jaar (zijnde €750 x 12).
     
  • De levensverwachting die erflater op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte in augustus 2013 had was 69 jaar. Volgens de statistieken STATBEL is de levensverwachting ten tijde van de verkoop voor een vrouw 17,79 jaar.
    Dit is omgerekend een kapitalisatiefactor van 12.55563412 zijnde
    • de kapitalisatiefactor 17 jaar (12.165668)
    • plus het gedeelte dat betrekking heeft op het jaargedeelte van 0,79 jaar. (17 jaar= 12,165668, 18 jaar= 12,659296; de kapitalisatiefactor voor het jaargedeelte van 0,79 is 0,79x (12.659296 – 12.165668) = 0,38996612
  • Toegepast op de jaarlijkse huurwaarde van 8.400 euro bedraagt de waarde van het vruchtgebruik op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte €105.467,33 (€8.400 x 12.55563412).
  • De waarde van de maandelijks verschuldigde lijfrente op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte bedraagt €113.000,71. (€750 per maand x 12 maanden x 12.55563412) 
    Gelet op de levensverwachting van de erflater op het ogenblik van verlijden van de notariële akte dient ook hier rekening te worden gehouden met een kapitalisatiefactor. Er kan in deze geen rekening gehouden worden met de door de partijen overeengekomen koopprijs van €182.800. Deze werd immers niet betaald doch onmiddellijk omgezet in een maandelijks te betalen rente. Enkel met de waarde van de rente kan rekening gehouden worden voor doeleinden van artikel 2.7.1.0.9 VCF. 
  • Rekening houdend met een niet-betwiste waarde van de volle eigendom van € 250.000 wordt volgend resultaat bekomen:

Waarde overgenomen eigendom:

 

€ 250.000

MIN waarde voorbehouden vruchtgebruik:

€ 105.467,33

 

MIN waarde lijfrente:

€ 113.000,71

 

Saldo:

 

€ 31.531,96

  • Het hof besluit dat er geen gelijkwaardigheid is tussen de waarde van het overgenomen onroerend goed en de waarde van de levenslange prestaties. Het hof kan enkel besluiten dat de belastingplichtige het tegenbewijs niet heeft geleverd. Het wettelijk vermoeden opgenomen in artikel 2.7.1.0.9 VCF wordt door de belastingplichtige niet ontkracht als gevolg waarvan er sprake is van een bedekte bevoordeling.
  • Het onroerend goed wordt geacht voor de heffing van de erfbelasting in volle eigendom deel uit te maken van de nalatenschap van de erflater en door de belastingplichtige als legaat te zijn verkregen. Er werd terecht rekening gehouden met de verminderingen opgenomen in artikel 2.7.3.2.11 en 2.7.5.0.5 VCF.