Belasting

Leegstandsheffing bedrijfsruimten

Artikel

Art. 2.6.2.0.1. VCF

Voorwerp betwisting

Domeinconcessie

Rechtbank of Hof

Grondwettelijk Hof

Plaats

/

Rolnummer

Rolnummer 5824 -Arrest nr. 183/2014

Datum uitspraak

10/12/2014

Status

Definitief

 

Samenvatting

1. Problematiek

Het Gemeentelijk Havenbedrijf X had bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2, 2°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 5 juli 2013 tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (vervanging van artikel 2, 9°, van het decreet van 19 april 1995 – begrip « eigenaar »).

De problematiek betreft de vraag wie ingeval van domeinconcessie als eigenaar van het bedrijfsgebouw in de zin van artikel 2, 9° van het leegstandsdecreet bedrijfsruimten, hierna het decreet genoemd, moet worden aanzien en wie bijgevolg ook als belastingplichtige overeenkomstig artikel 2.6.2.0.1 VCF moet worden beschouwd.

Artikel 2, 9° van het decreet bepaalt:

“eigenaar : de houder van een van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot een bedrijfsgebouw :

a) de volle eigendom;

b) het recht van opstal of van erfpacht;

c) vruchtgebruik”

               

In de memorie van toelichting staat volgende passage betreffende domeinconcessie:

“Een domeinconcessie is een administratieve overeenkomst waarbij de overheid een persoon het recht verleent om een gedeelte van het openbaar domein tijdelijk en op een wijze die het recht van anderen uitsluit, in gebruik te nemen en die om redenen ontleend aan het openbaar belang eenzijdig kan worden herroepen. Een wezenlijk kenmerk van de domeinconcessie is dat de concessieverlenende overheid op ieder ogenblik, onmiddellijk en eenzijdig, tot beëindiging van de concessieovereenkomst kan overgaan, telkens wanneer het algemeen belang zulks vereist/verantwoordt. Gelet op het precaire karakter van de rechten van de concessiehouder is het niet aangewezen deze als heffingsplichtige te beschouwen.” (Parl. St., Vlaams Parlement, 2012-2013, nr. 2052 nr.1, p. 4)

Volgens Gemeentelijk Havenbedrijf X zijn er op basis van de tekst van het decreet en de voorbereidende werken twee interpretaties van het nieuwe artikel 2, 9° van het decreet mogelijk, namelijk:

1) Dat de volle eigenaar van een bedrijfsgebouw niet als eigenaar dient te worden beschouwd in de zin van het decreet wanneer de grondeigenaar aan de eigenaar van het bedrijfsgebouw een domeinconcessie geeft, een niet-verantwoord verschil in behandeling roept tussen concessiegever en naakte grondeigenaar doordat de eersten belastingplichtigen zijn en de tweede niet.

2) Dat de concessiehouder die volle eigenaar is van een bedrijfsgebouw dat zich bevindt op een deel van het openbaar domein dat het voorwerp uitmaakt van een domeinconcessie wel als eigenaar dient beschouwd te worden en dus enkel hij en niet de concessiegever als belastingplichtige dient beschouwd te worden

De Vlaamse Regering voert aan dat de bestreden bepaling enkel kan worden geïnterpreteerd in de zin dat de concessiehouder, wanneer hij volle eigenaar is van het bedrijfsgebouw, de schuldenaar is van de leegstandsheffing.

 

2. Beslissing Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 10 december 2014 beslist dat wanneer een persoon volle eigenaar is van een bedrijfsgebouw dat gevestigd is op een deel van het openbaar domein dat door de overheid in domeinconcessie is gegeven, die persoon de schuldenaar is van de leegstandheffing en dus niet de concessieverlenende overheid.

De passage uit de parlementaire voorbereiding dient geïnterpreteerd te worden in die zin dat de concessiehouder niet als belastingplichtige kan worden beschouwd wanneer de concessieverlenende overheid volle eigenaar is van het desbetreffende bedrijfsgebouw, en dat in dat geval die laatste, als volle eigenaar in de zin van de bestreden bepaling, dient te worden beschouwd.

 

3. Gevolgen

Het Grondwettelijk Hof bevestigt de redenering die werd verdedigd door de Vlaamse Regering. Er dringen zich bijgevolg geen aanpassingen aan de wetgeving op.

Ingeval de concessiegever het bedrijfsgebouw in concessie geeft en volle eigenaar blijft van het bedrijfsgebouw dan is de concessiegever eigenaar in de zin van artikel 2, 9° van het decreet en dient het registratieattest naar de concessiegever verstuurd te worden en de aanslag gevestigd te worden op naam van de concessiegever.

Ingeval de concessiegever geen volle eigenaar van het bedrijfsgebouw is dan is de concessiegever geen eigenaar in de zin van artikel 2, 9° van het decreet en dient het registratieattest naar de eigenaar van het bedrijfsgebouw verstuurd te worden en de aanslag gevestigd te worden op naam van de volle eigenaar van het bedrijfsgebouw.