Belasting

Leegstandsheffing bedrijfsruimten

Artikel

  • art. 14 decreet leegstandsheffingsbedrijfsruimten
  • art. 36 decreet leegstandsheffingsbedrijfsruimten (tegenwoordig 2.6.7.4.1 VCF)
  • art. 41, §1 decreet leegstandsheffingsbedrijfsruimten (tegenwoordig 2.6.7.7.1 VCF)

Voorwerp betwisting

Bewijs van de beëindiging van de leegstand/verwaarlozing

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

Brussel

Rolnummer

F.14.0023.N

Datum uitspraak

24/09/2015

Status

Doorverwijzing

 

Samenvatting

Aan de belastingplichtigen werd overeenkomstig het op dat ogenblik van toepassing zijnde artikel 36 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van bedrijfsruimten (hierna decreet) (tegenwoordig art. 2.6.7.4.1. VCF) een opschorting wegens nieuwe eigenaar toegekend voor een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte, zijnde van 28 november 2005 tot 28 november 2007. Het op dat ogenblik van toepassing zijnde artikel 41, §1 van het decreet (tegenwoordig art. 2.6.7.7.1 VCF) bepaalt dat de opgeschorte heffing vermeerderd met interesten verschuldigd is indien de opschorting toegestaan krachtens het toenmalige artikel 36 van het decreet niet resulteert in een beëindiging van de verwaarlozing en/of leegstand. Belastingplichtigen stelden dat op basis van de handelshuurovereenkomst, betalingsbewijzen en de verklaring van de burgemeester dd. 19/12/2007 is gebleken dat de leegstand vanaf 10 oktober 2007, d.i. vóór het verstrijken van de opschortingstermijn op 28 november 2007, was beëindigd. Evenwel hebben belastingplichtigen pas op 1 februari 2008 d.i. nà het verstrijken van de opschortingstermijn een aanvraag tot schrapping gericht aan de inventarisbeheerder.

VLABEL heeft steeds geargumenteerd dat de opgeschorte heffing verschuldigd was aangezien het attest van schrapping niet werd bekomen, minstens de aanvraag tot schrapping niet werd gedaan vóór het einde van de opschortingstermijn, zijnde 28 november 2007.

De visie van VLABEL werd echter niet gevolgd door het hof van beroep te Brussel dat op 19 juni 2013 geoordeeld heeft dat de beëindiging van de leegstand met andere middelen dan enkel een attest van schrapping kan worden bewezen, zijnde in casu de handelshuurovereenkomst, betalingsbewijzen en de verklaring van de burgemeester dd. 19/12/2007. Aan de hand van deze stukken had het hof van beroep geoordeeld dat de leegstand werd beëindigd vóór het verstrijken van de opschortingstermijn, zodat de opgeschorte heffing niet verschuldigd was.

Hiertegen werd door VLABEL cassatieberoep aangetekend.

Het Hof van Cassatie heeft bij arrest dd. 24/09/2015 met rolnummer F.14.0023.N het voormelde arrest van het hof van beroep vernietigd en als volgt geoordeeld:

“de appelrechters die, hoewel het aanvaarden van de schrapping slechts uitwerking kon hebben vanaf de kennisgeving van de aangetekende brief van 01 februari 2008, niettemin oordelen dat de opgeschorte betwiste heffing voor het heffingsjaar 2006 niet verschuldigd is, schenden de artikelen 14, 36 en 41§1, leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, zoals hier van toepassing.”