Belasting

Procedure

Artikel

Art. 376, §1 WIB 1992 (thans art. 3.6.0.0.1. VCF)

Voorwerp betwisting

Leegstandsheffing Bedrijfsruimten - Toepassingsvoorwaarden van ambtshalve ontheffing

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Brussel

Rolnummer

2012/AF/129

Datum uitspraak

10/05/2017

Status

Definitief

Resultaat

Gunstig

 

Samenvatting

Het Hof van Beroep te Brussel heeft zich bij arrest dd. 10/05/2017 uitgesproken over de toepassingsvoorwaarden van ambtshalve ontheffing, meer bepaald omtrent de interpretatie van de begrippen materiële vergissing en nieuw feit of bescheiden.

Wat betreft het begrip materiële vergissing was de belastingplichtige van oordeel dat de opname van het pand in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten met kenmerken van leegstand en de betwiste heffing berusten op een materiële vergissing in de zin van artikel 376, §1 WIB92, juncto artikel 33 Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten (thans artikel 3.6.0.0.1. VCF).

Het Hof van Beroep heeft als volgt geoordeeld:

“Te dezen is er evenwel geen sprake van een materiële vergissing, begrip dat beperkend dient te worden geïnterpreteerd in de zin van een verschrijving of rekenfout of een andere grove feitelijke vergissing onafhankelijk van enige juridische beoordeling (cfr. en vgl. Cass. 3 januari 1969, Arr. Cass. 1969, 439; Cass.9 september 1969, Arr.Cass. 1970, 32; Cass. 16 maart 1973,Pas. 1973, 1, 669; Cass. 3 januari 1975, Arr. Cass. 1975, 499; Pas. 1975, 1, 460; Cass. 23 januari 1980, Arr. Cass. 1979-1980, 590; J.D.F.1980, 214; Pas. 1980, 1, 577).

De opname van het pand in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten met kenmerken van leegstand en de heffing blijken in deze immers niet het gevolg te zijn van een verschrijving of rekenfout of een andere grove feitelijke vergissing, doch wel van de juridische en intellectuele keuze van de administratie van geïntimeerde: ( lees: Vlaamse Gewest).”

Wat betreft het begrip nieuwe feiten of bescheiden meent belastingplichtige dat de brief en de verklaring van de burgemeester van de gemeente Zaventem d.d. 14 december 2012 waarin de burgemeester bevestigt dat volgens hem meer dan 50 % van het pand van belastingplichtige werd benut in de loop van het jaar 2010 hiervoor in aanmerking komt. Het betreft in casu een heffing voor aanslagjaar 2011. Indien de redenering van belastingplichtige zou gevolgd worden, zou dit resulteren in het niet verschuldigd zijn van de heffing.

Het Hof van Beroep heeft als volgt geoordeeld:

“Te dezen is er evenwel geen sprake van een nieuw feit of bescheid, begrippen die beperkend dienen te worden geïnterpreteerd in de zin van feiten of bescheiden die welke een bewijs kunnen opleveren dat voordien niet is geleverd en die de belastingplichtige niet kon overleggen of aanvoeren voordat de termijnen van bezwaar of beroep waren verstreken (cfr. en vgl. Cass. 30 april 1968, J.D.F. 1968, 209; Cass. 3 januari 1975, Pas. 1975, 1, 460; Cass. 2 december 1999, F.J.F. 2000, 320).

De brief en de verklaring van de burgemeester van de gemeente Zaventem d.d. 14 december 2012 zijn geen nieuwe feiten of bescheiden die aanleiding geven tot een ambtshalve ontheffing. In deze brief en dit attest bevestigt de burgemeester namelijk slechts wat volgens hem de toestand was in 2010 op basis van een analyse van bestaande stukken (facturen van nutsmaatschappijen en van de opeenvolgende huurders). De inhoud ervan is dus niet nieuw. In casu wist of diende belastingplichtige immers te weten op het moment dat zij kennis nam van de registratieattesten dat het pand niet leegstaand was in de zin van het Leegstandsdecreet bedrijfsruimten. Desalniettemin liet zij na om regelmatig naar vorm en tijdig beroep aan te tekenen tegen de registratieattesten.”