Belasting

Procedure/Planbatenheffing

Artikel

Art.  632 Ger.W.

Voorwerp betwisting

Territoriale bevoegdheid van de rechtbank inzake planbatenheffing

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

14/2448/A en 14/3130/A

Datum uitspraak

29/12/2015

Status

Doorverwijzing

 

Samenvatting

In twee verwijzingsvonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent wordt dieper ingegaan op de modaliteiten van artikel 632 Ger. W. dat de territoriale bevoegdheid van de rechtbank regelt.

Artikel 632 Ger. W. bepaalt: Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen (….)

De tegenpartij roept in dat het geschil inzake planbatenheffing geen verband houdt met de inning van een belasting aangezien er geen opeisbare schuld bestaat, dit omdat de planbatenheffing pas opeisbaar zou zijn op het ogenblik dat er zich een startfeit voordoet. Met deze argumentatie wil de tegenpartij toepassing van het tweede criterium van artikel 632 Ger. W. bekomen: “in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen”.

De rechtbank weerlegt deze argumentatie en besluit dat het wel degelijk om een geschil betreffende de inning van een belasting gaat. De rechtbank stelt eerst vast dat uit de opbouw van artikel 632 Ger. W. duidelijk blijkt dat de hoofdregel voor het bepalen van territoriale bevoegdheid van de rechtbank het eerste criterium is, nl. de plaats waar de belasting is of moet worden geïnd. Het tweede criterium, de plaats waar de beslissing werd genomen indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, moet strikt geïnterpreteerd worden. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de planbatenheffing eisbaar is op het ogenblik van de inkohiering en dat het voltrekken van een startfeit geen invloed heeft op de opeisbaarheid van de belasting doch wel op de betaalbaarheid ervan. De rechtbank besluit dat geschillen die betrekking hebben op ingekohierde belastingen geschillen zijn betreffende de inning van de belasting. Dat de betalingsverplichting is uitgesteld tot op het ogenblik dat zich een startfeit voltrekt doet hier geen afbreuk aan.

Vervolgens roept de tegenpartij in dat “het bevoegde ontvangkantoor” (formulering tegenpartij) dat van Aalst is aangezien op het overschrijvingsformulier voor de betaling Vlaamse Belastingdienst Aalst als begunstigde staat.

De rechtbank wijst op het op dat ogenblik van toepassing zijnde artikel 9 §1 van het besluit van 14 maart 2012 (“organogrambesluit”) dat bepaalt dat de planbatenheffing geïnd wordt door de diensten van de afdeling inning en invordering gevestigd te Brussel. De rechtbank voegt er nog aan toe dat het feit dat de planbatenheffing betaalbaar is op het adres in Aalst niet tot gevolg heeft dat de diensten te Aalst bevoegd zouden zijn voor de inning van deze belastingen. Het behoort, aldus de rechtbank, immers niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht om zich te mengen in de administratieve organisatie van fiscale overheden.

De zaken worden dan ook naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel verwezen.