Belasting

Planbatenheffing

Artikel

Artikel 2.6.10 VCRO

Voorwerp betwisting

Is de berekeningswijze van de planbatenheffing in strijd met het  gelijkheidsbeginsel?

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg

Plaats

Brussel

Rolnummer

2014/6452/A en 2014/5591/A

Datum uitspraak

24/06/2016 en  21/03/2016  

Status

Definitief

 

Samenvatting

De rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel is van oordeel dat de berekeningswijze van de planbatenheffing het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet schendt.

Artikel 2.6.10, §1 VCRO regelt de manier waarop de planbatenheffing wordt berekend:

De planbatenheffing wordt berekend uitgaande van de vermoede meerwaarde van een perceel ten gevolge van de bestemmingswijziging en op basis van de oppervlakte van de bestemmingswijziging op het perceel. De oppervlakte van het perceel is de bij het kadaster gekende oppervlakte.

De belastingplichtige roept voor de rechtbank in dat deze berekeningswijze onwettig is omdat:

  • enerzijds het werken met een vermoede meerwaarde het gelijkheidsbeginsel schendt aangezien er geen rekening wordt gehouden met de effectieve meerwaarde van de bestemmingswijziging
  • anderzijds de berekening op basis van de kadastrale oppervlakte een schending van het gelijkheidsbeginsel is omdat een eigenaar van meerdere kleine percelen minder wordt belast dan een eigenaar van één in oppervlakte vergelijkbaar groot perceel.

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om enige prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen aangezien de bestreden bepalingen de betreffende Grondwettelijke bepalingen klaarblijkelijk niet schenden (art. 26 §2, al. 3 Bijz. W. 06/01/1989 op het Grondwettelijk Hof). De rechtbank herhaalt hierbij eerst de algemene principes inzake het gelijkheidsbeginsel:

Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat het verschil in behandeling van bepaalde categorieën van personen gebaseerd moet zijn op een objectieve en redelijke verantwoording. Er kan bijgevolg maar sprake zijn van een schending van de grondwettelijke regels van gelijkheid en non-discriminatie wanneer:
- personen die zich in een gelijke situatie bevinden op verschillende wijze behandeld worden voor zover er voor het criterium van het onderscheid geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat;
-personen die zich in een verschillende situatie bevinden op identieke wijze behandeld worden zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen het beoogde doel (vgl. P. PEETERS, "De fiscale grondbeginselen in de rechtspraak van het Arbitragehof', in A. ALEN e.a. (red.), Themis cahier nr. 36 — Staatsrecht, Brugge, Die Keure, 2005, p. 49, nr. 7).

Vervolgens bespreekt de rechtbank de beweerde schendingen die door de belastingplichtige worden aangevoerd:

M.b.t. het argument dat belastingplichtige geen effectieve meerwaarde zou gerealiseerd hebben wijst de rechtbank er op dat ook in het vroegere systeem van planbatenheffing een potentiële meerwaarde op forfaitaire wijze werd belast en dat het Grondwettelijk Hof oordeelde dat geen effectief gerealiseerde meerwaarde wordt belast, doch een bestemming (cf. Arbitragehof nr. 86/2000, 05/07/2000, randnummers 11; zie ook Memorie van Toelichting, VI.Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, nr.165).

Dat de wetgever verkoos om te werken met decretaal vastgelegde vermoedens van meerwaarde, (art. 2.6.10 V.C.R.0.) is klaarblijkend niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Dit is gebaseerd op een objectief criterium, met name de aard van de bestemmingswijziging. Hierbij werd reeds rekening gehouden met het feit dat bepaalde bestemmingswijzigingen een andere meerwaarde kunnen genereren dan andere. Deze vermoedens werden niet willekeurig vastgesteld, doch hieromtrent werd een onderzoek gevoerd (VI.Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, nr. 168 en 187) en deze zullen geëvalueerd worden (art. 2.6.19; VI.Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, nr. 190).

De decreetgever bracht hierbij ook in herinnering dat bij de vaststelling van een fiscaal regime rekening dient gehouden te worden met de "de doeltreffendheid van de criteria en de administratieve kosten van de toepassing ervan [...] bij de beoordeling van de vraag of zij op redelijke wijze kunnen worden verantwoord" (VI.Parl. 2008-2009, nr.2011/1, nr. 187).

Gelet op het karakter van de belasting (bestemmingsbelasting) en de aangehaalde motivering van een systeem dat doeltreffend is, alsmede de wetenschappelijke onderbouwing van de tariefkeuze en de opvolging hiervan, is de keuze voor een systeem van belasting van een forfaitaire meerwaarde, los van enige in realiteit gerealiseerde meerwaarde, redelijk verantwoord en proportioneel.

Dat voorts enerzijds gebruik wordt gemaakt van een belastbaarheid op niveau van het kadastraal perceel en anderzijds de belasting progressief is, zodat grotere percelen zwaarder belast worden dan kleinere, is (klaarblijkelijk) evenmin strijdig met het gelijkheidsbeginsel.

In de mate dat de situatie van eigenaars van verscheidene percelen met een verschillende oppervlakte al vergelijkbaar zou zijn, dient vastgesteld te worden dat met de regeling van de planbatenheffing een wettige doelstelling wordt nagestreefd, met name het belasten van een potentiële meerwaarde die eigenaars van percelen kunnen genieten door het loutere feit dat een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd. Het onderscheid is gebaseerd op een objectief criterium (de oppervlakte van het perceel) dat bovendien relevant en pertinent is (aangezien de waarde van een perceel in eerste instantie zal bepaald worden door de oppervlakte).

In dit verband dient expliciet verwezen te worden naar het feit dat de decreetgever de progressiviteit van de heffing motiveerde op basis van het 'draagkrachtbeginsel' (VI.Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, nr. 186). Dergelijke keuze is allerminst onredelijk.