Belasting

Planbatenheffing

Artikel

2.6.5, 6° VCRO

Voorwerp betwisting

De beoordeling van de voorwaarde “hoofdzakelijk vergund” in het kader van de vrijstelling voor zonevreemde bedrijven dient op het niveau van het bedrijf te gebeuren

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg

Plaats

Brussel

Rolnummer

2016/941/A

Datum uitspraak

18/12/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

Een bedrijf dat zich uitstrekt over meerdere kadastrale percelen beroept zich op de vrijstelling van planbatenheffing voor zonevreemde bedrijven voorzien in artikel 2.6.5, 6° VCRO:

Er is geen planbatenheffing verschuldigd wanneer het perceel waarop de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dan wel het bijzonder plan van aanleg, een zonevreemd, hoofdzakelijk vergund en niet-verkrot bedrijf in de zin van artikel 4.4.10 gevestigd is, een voor bedrijvigheid geëigende bestemming krijgt ten gevolge van het plan

Voor één perceel werd de vrijstelling op bezwaarniveau geweigerd omdat de voorwaarde “hoofdzakelijk vergund” niet vervuld geacht werd, op het perceel staat nl. een niet-vergunde loods.

De rechtbank oordeelt echter dat de vrijstelling voor zonevreemde bedrijven ook voor dit perceel dient toegekend te worden.

Vooreerst meent de rechtbank dat de stelling van belastingplichtige dat het verkrijgen van een planologisch attest ipso facto inhoudt dat het bedrijf hoofdzakelijk vergund is niet kan worden gevolgd, maar dat de rechtbank zelf dient na te gaan of de voorwaarden van de vrijstelling en dus ook het hoofdzakelijk vergund karakter vervuld zijn.

Het hoofdzakelijk vergund karakter is een feitelijk gegeven dat dient beoordeeld te worden op het niveau van het bedrijf, aldus de rechtbank. Hoewel de planbatenheffing op zich op perceelsniveau wordt gevestigd moet de beoordeling van het hoofdzakelijk vergund karakter steeds op bedrijfsniveau gebeuren (een bedrijf is hoofdzakelijk vergund of het is het niet). Dit omwille van het feit dat de vrijstelling gebaseerd is op een stedenbouwkundige regeling en daarin wordt verwezen naar “het bedrijf” en niet naar “het perceel” of het gebouw.  

Die stedenbouwkundige regeling zit o.m. vervat in artikel 4.1.1., 7° VCRO dat een definitie geeft van het begrip “hoofdzakelijk vergund”:

 

een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat:

a) bedrijven en hun constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft

In de memorie van toelichting bij de VCRO is volgende verduidelijking terug te vinden (Parl. Stuk. 2011, 2008-2009, nr. 1, randnummer 276):

Bij de parlementaire voorbereiding betreffende de regeling inzake het planologisch attest voor zonevreemde bedrijven werd inderdaad gesteld dat “hoofdzakelijk vergund” betekent “dat de vergunningstoestand van het corpus van het bedrijf, de ruggengraat of de “core business” moet aangetoond zijn” (Parl. St., Vl. Parl., 2001-’02, 1203/4).

De omschrijving betekent dat de gebouwen, bouwwerken en overige constructies die, in de ogen van elk normaal zorgvuldig beoordelaar, voor een bedrijf van een bepaald type en van een bepaalde grootteorde noodzakelijk zijn, behoorlijk zijn vergund of geacht moeten worden vergund te zijn. Het gaat daarbij niet om een bedrijfseconomische inschatting, waarbij bekeken wordt welk onroerend patrimonium al dan niet voorhanden zou moeten zijn om behoorlijke bedrijfsresultaten te behalen. Er moet daarentegen (enkel) vanuit stedenbouwkundig oogpunt worden nagegaan en gemotiveerd welke “assets” aanwezig moeten, rekening houdend met de typologie en de grootte van het bedrijf

 

De rechtbank komt tot de conclusie dat er aan de vrijstelling voldaan is op basis van volgende vaststellingen:

  • het feit dat op de andere percelen regelmatig vergunde constructies stonden;
  • dat het gros van de bedrijfsmatige constructies staat op die andere percelen;
  • dat op het belaste perceel er zich enkel een loods voor opslag en onderhoud van de machines bevindt;
  • dat het bedrijf in kwestie actief is in een activiteit die vnl. op verplaatsing wordt uitgevoerd;
  • dat de kennelijk voor bedrijfsvoering noodzakelijke constructies (2 bedrijfswoningen, 1 loods en buitenopslag) klaarblijkelijk (ingevolge de andere bezwaarbeslissingen) werden beschouwd als een zonevreemd, hoofdzakelijk vergund en niet-verkort bedrijf, zodat dit dient te gelden voor het bedrijf als geheel.