Belasting

Planbatenheffing

Artikel

Artikel 2.6.4 VCRO en artikel 159 GW

Voorwerp betwisting

Toepassing van artikel 159 GW om onwettig BPA buiten toepassing te laten en de gevolgen hiervan voor de gevestigde planbatenheffing.

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg

Plaats

Brussel

Rolnummer

2016/2141/A

Datum uitspraak

9 maart 2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

De percelen in kwestie hebben door de jaren heen verschillende bestemmingen gehad:

  1. Gewestplan (1977): woonuitbreidingsgebied
  2. Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) (1989): bouwvrij agrarisch gebied
  3. Ruimtelijk Uitvoeringsplan (hierna: RUP) (2014): wonen

 
Ingevolge de inwerkingtreding van het RUP werd een planbatenheffing opgelegd voor de bestemmingswijziging van landbouw (BPA) naar wonen (RUP). Overeenkomstig artikel 2.6.4, 2° VCRO betreft dit immers een belastbare bestemmingswijziging:
“Een planbatenheffing is verschuldigd wanneer een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg op een perceel één of meer van de hiernavolgende bestemmingswijzigingen doorvoert:
2° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding “landbouw” valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding “wonen” valt.”

Belastingplichtige beroept zich op de onwettigheid van het BPA dat de percelen voor landbouw bestemde. Het BPA zou immers zonder motivatie afwijken van het gewestplan, wat strijdig is met artikel 16 Stedenbouwwet, zoals hernomen in artikel 14, 3e lid van decreet van 22 oktober 1996:
Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”
De rechtbank stelt vast dat het BPA in casu 3/4 van het woonuitbreidingsgebied op het gewestplan omvormt tot bouwvrij agrarisch gebied, waardoor de realisatie van de hoofdbestemming wonen (volgens het gewestplan) onmogelijk wordt. In een dergelijk geval is er volgens de rechtbank wel degelijk sprake van een afwijking van de bestemming van het gewestplan.
Vervolgens haalt de rechtbank rechtspraak van de Raad van State aan waaruit voortvloeit dat de mogelijkheid tot afwijken van het gewestplan een uitzonderingsbepaling is die beperkend moet geïnterpreteerd worden en dient gemotiveerd te worden. Het BPA bevat geen enkele motivering aangaande de noodzaak om af te wijken van het gewestplan.
De rechtbank besluit dat het BPA in strijd is met artikel 16 Stedenbouwwet en buiten toepassing moet gelaten worden overeenkomstig artikel 159 GW: 
“De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.”
Uit deze bepaling volgt dat de rechter een met de wet strijdige administratieve beslissing buiten toepassing moet laten (Cass. 2 september 2016). De met eigenlijke rechtspraak belaste organen moeten krachtens die bepaling de interne en externe wettigheid onderzoeken van elke administratieve handeling waarop een vordering, eis of verweer is gegrond (Cass. 9 maart 2015). Dat de Raad van State het BPA in kwestie niet heeft vernietigd is niet relevant voor de toepassing van artikel 159 GW.
Nu het BPA buiten toepassing moet gelaten worden heeft er geen belastbare bestemmingswijziging plaatsgevonden van landbouw naar wonen in de zin van artikel 2.6.4, 2° VCRO, noch een andere bestemmingswijziging die aanleiding kan geven tot het vaststellen van planbatenheffing. De voorwaarden voor het verschuldigd zijn van een planbatenheffing conform artikel 2.6.4 VCRO zijn dan ook niet vervuld. De planbatenheffing is bijgevolg niet verschuldigd.