Belasting

Planbatenheffing

Artikel

Artikel 2.6.4 VCRO; artikel 2.6.10 t.e.m. 2.6.12 VCRO; art. 159 GW

Voorwerp betwisting

Kwalificatie van belastbaar feit (bestemmingswijziging) en berekeningswijze van de planbatenheffing

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Brussel

Rolnummer

2015/AF/158

Datum uitspraak

27 november 2018

Status

Voorlopig

 

Samenvatting

Een perceel ondergaat een belastbare bestemmingswijziging van recreatie naar wonen conform artikel 2.6.4, 3° VCRO. De belastingplichtigen betwisten de opgelegde planbatenheffing tot voor het Hof van Beroep. Na de rechtbank van Eerste Aanleg wijst nu ook het Hof van Beroep de vorderingen van belastingplichtigen integraal af en bevestigt aldus de opgelegde planbatenheffing.

Belastingplichtigen betwisten de kwalificatie van het belastbaar feit (= de bestemmingswijziging van recreatie naar wonen) omdat de bestemming in het RUP omschreven wordt als ‘specifiek woongebied met bosrijk karakter’, alsook omdat de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP beperkingen opleggen betreffende de oppervlakte van het perceel die mag bebouwd en ontbost worden. Hierdoor is, althans voor een deel van het perceel, volgens belastingplichtigen sprake van een bestemmingswijziging naar ‘bos’ i.p.v. naar ‘wonen’.

Het Hof volgt deze zienswijze niet en wijst er o.m. op dat het bosrijk karakter in de aanduiding van de bestemming ondergeschikt is aan de vaststelling dat de eigenlijke bestemming weldegelijk wonen inhoudt, en niet toelaat dat er sprake is van twee verschillende nieuwe bestemmingen. Dat er, door de voor dit perceel van toepassing zijnde stedenbouwkundige voorschriften, weinig andere gebouwen of inrichtingen ter plaatse zouden kunnen opgericht worden en er mogelijks maar beperkt ontbost kan worden wanneer men wil bouwen, waardoor ter plaatse het uitzicht mogelijk dat van een bos zal blijven, of de omgeving bosrijk zal zijn, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de nieuwe bestemming van de zone waarin het perceel ligt, er één van wonen is, aldus het Hof.

Belastingplichtigen roepen ook in dat een verkeerde oppervlakte van het perceel werd gehanteerd bij de berekening van de planbatenheffing omdat het kadaster in het verleden onterecht twee percelen zou samengevoegd hebben tot het huidige perceel. Hier bevestigt het Hof het uitgangspunt van artikel 2.6.10 §1 VCRO, nl. dat de belastbare oppervlakte van een perceel wordt bepaald op de kadastrale oppervlakte.

Vervolgens verzoeken belastingplichtigen het Hof om het RUP buiten toepassing te laten op grond art. 159 GW, dat bepaalt dat de hoven en rechtbanken de besluiten alleen toepassen inzoverre zij met de wetten overeenstemmen. Het Hof stelt vooreerst vast dat niet is aangetoond dat het RUP onwettig zou zijn. Daarenboven is de bestreden heffing geen ‘toepassing’ van het RUP, maar een toepassing van artikel 2.6.4, 3° VCRO, zijnde een decretale bepaling. Voor zover als nodig wijst het Hof er nog op dat middels een betwisting van de bestreden heffing het RUP niet zelf nog kan aangevochten worden (Cass. 17 mei 2013).

Tot slot menen belastingplichtigen door de berekeningswijze van de planbatenheffing zoals opgenomen in artikel 2.6.10 t.e.m. 2.6.12 VCRO het slachtoffer te zijn van diverse schendingen van het gelijkheidsbeginsel alsook van het eigendomsrecht. Ze vragen het Hof dan ook drie prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het Hof van Beroep verwerpt ook deze vordering.

Artikel 2.6.10, §1 VCRO regelt de manier waarop de planbatenheffing wordt berekend:

De planbatenheffing wordt berekend uitgaande van de vermoede meerwaarde van een perceel ten gevolge van de bestemmingswijziging en op basis van de oppervlakte van de bestemmingswijziging op het perceel. De oppervlakte van het perceel is de bij het kadaster gekende oppervlakte.

Volgens belastingplichtigen schendt dit het gelijkheidsbeginsel omdat, aangezien de belasting stijgt in functie van oppervlakte van het perceel, eigenaars van kleinere percelen een lagere planbatenheffing dienen te betalen.

Het Hof wijst er op dat de berekening van de belastbare grondslag geheel gelijk is voor iedere eigenaar, in die zin dat per m² in eigendom die een belastbare bestemmingswijziging ondergaat, deze na toepassing van de forfaitair begrote meerwaarde per m² op eenzelfde wijze opgenomen wordt in de belastbare grondslag. Dat een eigenaar van een groter kadastraal perceel zo geconfronteerd wordt met een grotere belastbare forfaitaire meerwaarde, behelst inderdaad een ongelijkheid, doch zij komt voor als kennelijk niet strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Precies integendeel, een belastingverlaging toepassen door reeds in het begroten van de belastbare grondslag, voor een eigenaar van een groter perceel, een lager bedrag aan belastbare grondslag in rekening te brengen dan voor de eigenaar van een kleiner perceel, komt net voor als manifest strijdig met de noodzaak van gelijke behandeling. Dat het draagkrachtbeginsel speelt is in het licht van het doel van de belastingheffing, namelijk staatsinkomsten voorzien, niet klaarblijkelijk discriminatoir of disproportioneel.

Belastingplichtigen richten in een tweede middel hun pijlen op de ‘vermoede’ meerwaarde en gaan er hierbij verkeerdelijk van uit dat het om een weerlegbaar wettelijk vermoeden zou gaan.

Het gebruik van de term ‘vermoede’ meerwaarde in art. 2.6.11 VCRO houdt geenszins in dat sprake is van een weerlegbaar wettelijk vermoeden van bestaan van een meerwaarde waardoor de concrete heffingsgrondslag nog voorwerp van discussie zou kunnen zijn, bv. door aanstelling van een gerechtsdeskundige, aldus het Hof. Het Hof wijst er nog op dat het werken met forfaitair vastgestelde belastbare grondslagen een ruim in het fiscaal recht toegepaste wetgevingstechniek is, die op zich klaarblijkelijk niet in strijd is het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Het Hof verwerpt tot slot ook de ingeroepen schending van het eigendomsrecht zoals vervat in art. 16 GW en art. 1 Eerste Protocol EVRM.

De bestreden heffing betekent geenszins dat het eigendomsrecht wordt ontnomen. Ze werd opgelegd op grond van een wettelijke bepaling. De bestreden heffing kan gezien de beperking van de belastbare oppervlakte (d.i. een specifieke regeling voor zogenaamde weekendverblijven opgenomen in art. 2.6.10 §3 en 4 waarbij de oppervlakte van de bestemmingswijziging onder bepaalde voorwaarden beperkt blijft tot max. 2750 m²) en de concrete tarieven, geenszins excessief genoemd worden en voldoet bijgevolg aan de vereiste van proportionaliteit vervat in de ingeroepen bepaling inzake grondrechten.