Belasting

Procedure

Artikel

376 WIB92 (tegenwoordig art. 3.6.0.0.1 VCF)

Voorwerp betwisting

Ambtshalve ontheffing - Verduidelijkende (interpretatieve) wet is geen nieuw feit

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

/

Rolnummer

Nr. F.14.0097.N

Datum uitspraak

07/04/2016

Status

Definitief

 

Samenvatting

Artikel 253, vierde lid, WIB92, zoals ingevoegd door artikel 90 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, bepaalde, in de versie voor de wijziging ervan bij decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, dat de in het eerste lid onder 1°, 1 °bis, 2° en 30, bedoelde vrijstelling evenzeer wordt verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.

Bij artikel 22 van het voormelde decreet van 19 december 2008 werd aan artikel 253, vierde lid, WIB92 de volgende zin toegevoegd: "Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, §3, 2), b, van het Btw-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen."

Artikel 96 van dit decreet bepaalt dat artikel 22 uitwerking heeft vanaf 1 januari 2008. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 19 december 2008 blijkt dat de decreetgever met de toevoeging van de voormelde zin heeft willen verduidelijken dat de vrijstelling van onroerende voorheffing geldt zowel wanneer het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiële leasing zoals bedoeld in het Btw-wetboek, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de omschrijving van een dergelijke overeenkomst in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, welke ruime interpretatie volgens diezelfde parlementaire voorbereiding volledig in lijn ligt met de visie van de decreetgever bij de invoering van het vierde lid van artikel 253 WIB92 bij decreet van 22 december 1993.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 is dan ook een interpretatieve wet, namelijk een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Artikel 96 van het decreet van 19 december 2008, dat bepaalt dat artikel 22 uitwerking heeft vanaf 1 januari 2008, ontneemt aan artikel 22 niet zijn aard van interpretatieve wetsbepaling.

Wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete toestand ook voor de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

Het onderdeel dat aanvoert dat de toevoeging aan het vierde lid van artikel 253 WIB92 van een interpretatieve bepaling uitwijst dat de uitkomst van een eventueel bezwaar tegen de aanslag in de onroerende voorheffing onder gelding van de vroegere tekst onzeker was, dat de appelrechters bijgevolg niet naar recht konden beslissen, dat het bezwaar tot vrijstelling van de onroerende voorheffing zou hebben geleid en hun beslissing dat een interpretatieve wet geen nieuw feit is dat een ambtshalve ontheffing toelaat bijgevolg evenmin naar recht verantwoord is, kan niet worden aangenomen.