Belasting

Procedure (Onroerende voorheffing)

Artikel

Art. 396 WIB92 (thans art. 3.10.4.4.2 VCF)

Voorwerp betwisting

Verjaring

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

Brussel

Rolnummer

F.15.0130.N

Datum uitspraak

20/01/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Hof van Cassatie besliste op 20 januari 2017 dat het Vlaams Gewest de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, slechts kan invorderen ten laste van de nieuwe eigenaar op voorwaarde dat de belastingschuld op het ogenblik van de verzending van het aanslagbiljet aan de nieuwe eigenaar nog niet is verjaard ten opzichte van de vroegere eigenaar. De verjaring t.a.v. de nieuwe eigenaar begint dan te lopen vanaf het verstrijken van twee maanden na de toezending van het exemplaar van het aanslagbiljet aan de nieuwe eigenaar.

Aldus mochten de appelrechters in casu niet oordelen dat de verjaring van de invordering van de onroerende voorheffing t.a.v. vennootschap X ingetreden was op 9 september 2010.

Artikel 396 WIB92 (thans art. 3.10.4.4.2 VCF), zoals van toepassing op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest, vóór de opheffing ervan bij artikel 5.0.0.0.1, 1°, Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, bepaalt dat ingeval van overlegging van het in artikel 395 (thans art. 3.10.4.4.2 VCF) bedoelde bewijsstuk, de invordering van de onroerende voorheffing ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier kan worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling werd uitgereikt.

Krachtens artikel 413, eerste lid, WIB92 (thans art. 3.4.2.0.1 VCF), zoals van toepassing op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest, voor de opheffing ervan bij artikel 5.0.0.0.1, 1°, Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, moet de onroerende voorheffing worden betaald binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet.

Krachtens artikel 443bis, § 1, eerste lid, en § 2, WIB92 (thans art. Art. 3.14.1.0.1 VCF), zoals van toepassing op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest, voor de opheffing ervan bij artikel 5.0.0.0.1, 1°, Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, verjaart de onroerende voorheffing door verloop van vijf jaren vanaf de datum waarop ze dient betaald te zijn krachtens artikel 413 en kan die termijn worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende Burgerlijk Wetboek.

Uit die bepalingen volgt dat het Vlaams Gewest de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, slechts kan invorderen ten laste van de nieuwe eigenaar op voorwaarde dat de belastingschuld op het ogenblik van de verzending van het aanslagbiljet aan de nieuwe eigenaar nog niet is verjaard ten opzichte van de vroegere eigenaar. De verjaring ten aanzien van de nieuwe eigenaar begint dan te lopen vanaf het verstrijken van twee maanden na de toezending van het exemplaar van het aanslagbiljet aan de nieuwe eigenaar.

De appelrechters stellen vast dat:

  • de verweerster bij akte verleden op 29 december 2004 eigenares werd van het betrokken onroerend goed en dat de eigendomsoverdracht werd geregistreerd op 4 januari 2005;
  • op 4 juli 2005 met betrekking tot dit onroerend goed de aanslag in de onroerende voorheffing met betrekking tot het aanslagjaar 2005 werd gevestigd op naam van de vorige eigenaar, dat het aanslagbiljet op 8 juli 2005 naar deze vorige eigenaar werd verzonden en dat de onroerende voorheffing diende betaald te zijn uiterlijk op 8 september 2005;
  • op 15 juli 2010 aan de vorige eigenaar een dwangbevel werd betekend;
  • de eiser bij brief van 3 augustus 2011 de verweerster geïnformeerd heeft van de kennisname van de wijziging van de eigenaar voor het aanslagjaar 2005 en dat hij onder de verwijzing naar artikel 396 WIBB92 een aanslagbiljet heeft overgemaakt met betrekking tot 'de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2005 met als uiterste betaaldatum 3 oktober 2011.

Op grond van die vaststellingen vermochten de appelrechters niet te oordelen dat de verjaring van de invordering van de onroerende voorheffing ten aanzien van de verweerster is ingetreden op 9 september 2010. Het onderdeel is gegrond.