Belasting

Procedure

Artikel

/

Voorwerp betwisting

Kan Vlaamse overheid gedagvaard worden?

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Brussel

Rolnummer

2011/AR/2548

Datum uitspraak

08/03/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

 

Het Hof van Beroep te Brussel heeft bij zitting dd. 14/09/2016 ambtshalve de vraag opgeworpen naar de ontvankelijkheid van het oorspronkelijk voor de rechtbank van eerste aanleg door belastingplichtigen neergelegde fiscaal verzoekschrift dat gericht is tegen de Vlaamse Overheid, Agentschap Vlaamse Belastingdienst, Leegstandsheffing Bedrijfsruimten, Koning Albert II laan 19/bus 7 1210 BRUSSEL.

Het Hof van Beroep heeft bij arrest dd. 08/03/2017 als volgt geoordeeld:

“Echter heeft deze door appellanten genoemde "Vlaamse Overheid" geen rechtspersoonlijkheid, zodat de tegen deze "overheid" ingestelde vordering niet ontvankelijk is en was (vgl. Cass. 20 februari 1992, Cass. 29 juni 2006, Gr. Hof 19 september 2014).

Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Belastingdienst bepaalt:

"Binnen het Vlaamse Ministerie van Financiën en Begroting wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht onder de benaming Vlaamse Belastingdienst.

De Vlaamse Belastingdienst wordt opgericht voor de uitvoering van het beleid inzake Vlaamse Fiscaliteit. Het agentschap behoort tot het beleidsdomein Financiën en Begroting."

Weliswaar is in eerste aanleg de procedure blijkbaar gevoerd tegen huidige geïntimeerde, die thans nog als “geïntimeerde" aanwezig blijkt, doch dit verhelpt niet dat moet worden vastgesteld dat de oorspronkelijke vordering nooit lastens deze is aanhangig gemaakt en dat de vordering zelf is ingesteld tegen de "Vlaamse Overheid" die als dusdanig niet bestaat en geen rechtspersoonlijkheid heeft.

Enige "Vlaamse Overheid" blijkt ook niet te zijn opgetreden in eerste aanleg, noch vertegenwoordigd te zijn geweest door een advocaat. Er blijkt dus nooit een oorspronkelijk fiscaal beroep te zijn gedaan tegen het Vlaams Gewest, die zich nu "geïntimeerde" noemt en het gegeven dat het Vlaams Gewest dan wel verscheen voor de eerste rechter, tegen wie de vordering niet aanhangig is gemaakt, kan daaraan geen afbreuk doen.

De oorspronkelijke vordering werd derhalve door het bestreden vonnis ten onrechte ontvankelijk verklaard.

Het gegeven dat de Vlaamse Belastingdienst de organisatie van inning en invordering van Vlaamse belastingen regelt, kan ook niet de vaststelling teniet doen dat dan nog de oorspronkelijke vordering blijkt te zijn ingesteld tegen enige "Vlaamse Overheid" die op zich geen rechtspersoonlijkheid heeft.

Ook deze "Vlaamse Belastingdienst" heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, geen rechtspersoonlijkheid zodat zij niet zelfstandig in rechte kan optreden en de tegen deze dienst in eerste aanleg oorspronkelijk ingestelde vordering evenzeer onontvankelijk blijkt.

Dat de vordering in eerste aanleg onregelmatig aanhangig is gemaakt, meer bepaald tegen een niet bestaande rechtspersoon, leidt ertoe dat zij buiten de werkingssfeer valt van artikel 867 Ger. W. en dus ook niet "gedekt" kan zijn door het bestreden vonnis (en evenmin aanleiding kan geven tot beoordeling van enige belangenschade, en dit mede, in acht genomen, inmiddels, de afschaffing van artikel 862 Ger. W. door de Wet van 19 oktober 2015). Dat de griffie van de eerste rechter foutief een andere partij, verder in het bestreden vonnis "geïntimeerde" genoemd, opriep ter zitting, doet evenmin afbreuk aan de vaststelling dat de oorspronkelijke vordering gericht werd aan niet bestaande procespartij, de "Vlaamse Overheid".

Gelet op artikel 17 Ger.W. moet de rechtsvordering worden ingesteld tegen diegene die de hoedanigheid heeft om ze te beantwoorden, wat enige "Vlaamse Overheid" in deze niet heeft (Gr. Hof 19 september 2014).”

De vordering werd dan ook onontvankelijk verklaard.