Belasting

Procedure

Artikel

Artikel III.26, §1, 2e lid en artikel III.42, §1,4° of 5° van het Wetboek Economisch Recht

Voorwerp betwisting

Doorhaling van ambtswege uit het KBO-register

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg

Plaats

Brussel

Rolnummer

2016/1337/A

Datum uitspraak

31/05/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

a. Toepasselijke norm

Artikel III.26, §1, 2e lid van het Wetboek Economisch Recht (oud artikel 14 KBO-wet) bepaalt het volgende:

“… Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.”

 

b. Procedure eerste aanleg – vonnis van 31 mei 2017

Het bezwaarschrift van de belastingplichtige, de NV M.-V.R. ESTATE INC., was ontvankelijk, maar werd afgewezen als ongegrond, waarna de belastingplichtige een vordering instelde voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De rechtbank oordeelde evenwel dat deze vordering onontvankelijk was. Zij verwijst hiervoor naar voornoemd art. III.26, §1 WER waarvan de bepalingen kristalhelder zijn: wanneer blijkt dat de handels- of ambachtsonderneming niet is ingeschreven in de KBO-register, dan verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering onontvankelijk. In casu werd de belastingplichtige van ambtswege doorgehaald uit het KBO-register omwille van het feit dat zij drie opeenvolgende boekjaren geen jaarrekening had neergelegd bij de NBB.

De belastingplichtige tracht nog tevergeefs deze bepaling te ontwijken door te stellen dat zij optreedt als “verwerende partij” aangezien zij zich in werkelijkheid “verweert tegen een fiscale vordering”. De rechtbank treedt deze redenering niet bij en is terecht van oordeel dat het eisende partij is die een vordering instelt in toepassing van de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, zodat deze vordering ingevolge artikel III.26, §1 WER onontvankelijk is.