Belasting

Verkeersbelasting (BIV)

Artikel

Artikelen 34, 35 WIGB (thans art. 3.13.1.4.2. VCF); art. 100, §1 WIGB (thans art. 2.3.2.0.1, §1 VCF)

Voorwerp betwisting

Gegevensuitwisseling - BIV - vaartuigen

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

België

Rolnummer

F.15.0145.N

Datum uitspraak

10/02/2017

Status

Doorverwijzing naar het Hof van Beroep te Gent

 

Samenvatting

De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete. Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

De rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.

De appelrechters stellen vast dat de verweerder het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer verzocht heeft om de inschrijving van een pleziervaartuig en om machtiging tot het voeren van de Belgische vlag en dat deze inschrijving en machtiging werden verkregen met uitreiking van een vlaggenbrief.

Zij oordelen dat:

  • de administratie niet aantoont dat zij op een andere manier dan door spontane mededeling op de hoogte is gebracht van deze inschrijving;
  • de FOD Mobiliteit en Vervoer, Maritiem Vervoer een openbaar orgaan is dat de door haar verzamelde gegevens slechts mag vrijgeven indien ze beschikt over een uitdrukkelijke afwijking van haar beroepsgeheim/discretieplicht;
  • noch artikel 1 van de Wet van 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van de belastingen, noch artikel 327, § 1, WIB92 (thans art. 3.13.1.4.1 VCF) voorziet in de mogelijkheid en derhalve een wettelijke grondslag kan bieden voor de spontane mededeling van gegevens door een openbaar bestuur of instelling aan de fiscale administratie;
  • artikel 6, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen weliswaar bepaalt dat persoonsgegevens van het repertorium kunnen worden aangewend ter identificatie van personen die belastingen verschuldigd zijn op onder meer de inverkeerstelling en het gebruik van een voertuig, maar dit KB niet geldt voor vaartuigen;
  • de aanpassing van de artikelen 34, 35 en 95 WIGB (thans art. 3.13.1.4.2 VCF) als gevolg waarvan een spontane informatieverstrekking werd ingevoerd, slechts van toepassing is vanaf het aanslagjaar 2009;
  • artikel 100, § 1, WIGB (thans art. 2.3.2.0.1, §1 VCF) evenmin een grondslag kan bieden voor de spontane gegevensverstrekking door het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer aan de fiscale administratie;
  • er bijgevolg geen enkele rechtsgrond is op basis waarvan de gegevens die op de vlaggenbrief zijn vermeld, door het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer spontaan konden worden doorgegeven aan de fiscale administratie teneinde de verweerder te identificeren en te belasten;
  • de verweerder dan ook terecht aanvoert dat de belasting gevestigd is op onrechtmatig verkregen bewijs, zodat de aanslag dient vernietigd te worden.

Door aldus tot bewijsuitsluiting te beslissen en op die grond de aanslag te vernietigen, zonder het gebruik door de administratie van het onrechtmatig verkregen bewijs te toetsen aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.