Verkrijging door een vennoot van een NV

Voorafgaande beslissing nr. 15001 dd. 26.10.2015

Art. 2.9.1.0.5. VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichtingen
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat de overdracht van 48% in volle eigendom van het hierna beschreven onroerend goed door de NV E aan de heer C belast wordt met het verdeelrecht en niet met het verkooprecht.

[TOP]

II. Omschrijving van de verrichtingen

II. A. Identiteit van de aanvragers en de omschrijving van hun activiteiten.

2. De aanvraag wordt ingediend door notaris X in naam van volgende personen:

2.1. De heer A, en zijn echtgenote mevrouw B, samenwonend te […].Gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen.

2.2. De heer C, echtgenote van mevrouw D, samenwonend te […]. Gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen.

2.3. Mevrouw D, echtgenote van de heer C, wonend te […].

2.4. De naamloze vennootschap "E"

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen.

3. De verrichtingen kaderen binnen de hierna beschreven omstandigheden:

4. Op 18 november 2011 kochten de volgende partijen een woning te […], blijkens akte verleden voor ondergetekende notaris X:

  • De heer A, voormeld, en zijn echtgenote mevrouw B, voormeld , 1% volle eigendom van het hierna vermelde onroerend goed.
  • De heer C, voormeld, 1% volle eigendom van het hierna vermelde onroerend goed.
  • De naamloze vennootschap "E", voormeld, 98% volle eigendom van het hierna vermelde onroerend goed.

De heer C was ten tijde van de aankoop aandeelhouder van de NV E en is dit tot op heden nog steeds.

5. Het gaat om het volgende goed:

GEMEENTE Y eerste afdeling:

Een woonhuis met aanhorigheden op en met medegaande grond gestaan en gelegen aldaar aan de […], gekadastreerd volgens titel evenals volgens recent kadastraal uittreksel […], met een oppervlakte volgens titel evenals volgens recent kadastraal uittreksel van 1.607 m².

6. Thans wordt de woning afgebroken. Binnen enkele weken zal het slechts uit een perceel bouwgrond bestaan.

7. De heer C en zijn echtgenote, mevrouw D willen dit perceel volledig in volle eigendom verwerven.

Bijgevolg wordt er als volgt te werk gegaan:

7.1. De NV E staat 48% in volle eigendom af aan de heer C (= afstand onverdeelde delen)

7.2. De heer A en mevrouw B staan 1% volle eigendom af aan de heer C (= afstand onverdeelde delen)

7.3. De NV E verkoopt 50% in volle eigendom aan mevrouw D (= verkoop)

De partijen hebben hiertoe een onderhandse overeenkomst ondertekend.

8. De heer C is een deelgenoot van de oorspronkelijke onverdeeldheid dus ten opzichte van hem neemt de transactie de vorm aan van een afstand onverdeelde delen.

9. Mevrouw D is geen deelgenoot van de oorspronkelijke onverdeeldheid dus ten opzichte van haar neemt de transactie de vorm aan van een verkoop.

[TOP]

III. Motivering van de aanvraag

10. Volgens de aanvrager is er geen twijfel over het tarief van de verrichting onder 7.2 en 7.3. De afstand door de heer A en mevrouw B  zal aan het verdeelrecht (2,5%) onderworpen zijn. De verkoop door de NV E aan mevrouw D zal aan het verkooprecht onderworpen zijn.

11. Deze aanvraag betreft het tarief van de verrichting onder 7.1., namelijk de afstand onverdeelde delen van de NV E aan de heer C. De aanvrager meent dat ook hier het verdeelrecht van artikel 2..10.4.0.1. VCF van toepassing is. De heer C heeft samen met de NV E het goed aangekocht, in onverdeeldheid, en aldus gaat het volgens de aanvrager over een zuivere afstand onverdeelde delen. De heer C verkrijgt deze zakelijke rechten volgens de aanvrager in zijn hoedanigheid van deelgenoot (en niet in zijn hoedanigheid van aandeelhouder/vennoot).

12. Volgens de aanvrager was dit decennialang de normale gang van zaken totdat de FOD Financiën op 22 september 2014 besliste dat in dit soort situaties het verkooprecht diende geheven te worden[1].

De Centrale Administratie meende volgens de aanvrager dat iedere verkrijging door een vennoot onderworpen is aan het verkooprecht. De artikelen 129-130 W.Reg. (huidige artikelen 2.9.1.0.4 en 2.9.1.0.5. VCF) zouden bovendien als een lex specialis te beschouwen zijn ten opzichte van de lex generalis vervat in artikel 109 W.Reg. Tenslotte zouden de artikel 129-130 W.Reg. anti-frauderegels zijn zodat deze wetsbepalingen primeren op artikel 109 W.Reg. Deze argumenten kunnen de aanvrager niet overtuigen:

12.1. Dat de artikelen 129-130 W.Reg. een lex specialis zouden zijn ten opzichte van artikel 109 W.Reg. blijkt volgens de aanvrager nergens uit de wettekst zelf aangezien er niet vermeld wordt dat deze regels afwijken van de regels inzake verdelingen. Indien dit wel de bedoeling was van de wetgever, zou dit volgens de aanvrager normaliter blijken uit de wettekst of minstens uit de parlementaire voorbereidingen, wat niet het geval is.

12.2. De ratio legis van de artikelen 129-130 W.Reg. is volgens de aanvrager inderdaad om fraude tegen te gaan, maar wel een fraude in een compleet andere situatie[2]. De geviseerde constructie is die van een persoon A die een onroerend goed inbrengt in een vennootschap X en vervolgens de aandelen van deze vennootschap overdraagt aan persoon B. B gaat later over tot vereffening van de vennootschap en verkrijgt alzo het onroerend zonder ooit het verkooprecht te hebben betaald.

In casu heeft de heer C wel het verkooprecht betaald op zijn aandeel in de aankoop van het onroerend goed. Zijn situatie komt volgens de aanvrager helemaal niet overeen met degene die de wetgever indertijd viseerde.

13. In subsidiaire orde, zelfs al zou deze interpretatie weerhouden worden, begaat de Centrale Administratie volgens de aanvrager een inbreuk op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Aangezien er geen overgangsdatum is voorzien, is de voormelde beslissing onmiddellijk van toepassing vanaf 22 september 2014 en ook op voordien gecreëerde onverdeeldheden.

13.1. De FOD Financiën (en ook Vlabel) is onderworpen aan deze beginselen. Een van deze beginselen is het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad van State verwoordt dit als volgt:

"Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien, op het tijdstip dat de handeling wordt verricht en de overheid daarvan niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken."[3]

De overheid dient de gerechtvaardigde verwachtingen die zij bij de rechtsonderhorigen heeft gewekt in te vullen. De burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid.

13.2. De niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen is een onderdeel van dit rechtszekerheidsbeginsel. De Raad van State omschrijft dit als volgt:

"Het beginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve beslissingen is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. De rechtszekerheid vereist onder meer dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Terugwerkende kracht is enkel verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking van de dienst of de continuïteit van de dienst.”[4]

De heer C heeft op 18 november 2011 samen met de NV E voormeld onroerend goed aangekocht. Op dat moment waren de artikelen 129-130 W.Reg. al bijna een eeuw oud (de wet dateert van 30 augustus 1913).

Nooit was de Administratie volgens de aanvrager tot dan toe de mening toegedaan dat het verkooprecht toegepast zou moeten worden op situaties zoals die van de heer C en de NV E. Op het moment van hun aankoop konden de partijen volgens de aanvrager erop vertrouwen dat bij een eventuele latere uitonverdeeldheidtreding het verdeelrecht zou toegepast worden. Iedere fiscalist of notaris zou hen dat volgens de aanvrager geadviseerd hebben.

Door de onverwachte beslissing van de Centrale Administratie komt de burger volgens de aanvrager voor een onaangename verrassing te staan. Op zijn minst had de Centrale Administratie moeten verklaard hebben dat het nieuwe standpunt alleen van toepassing zou zijn op onverdeeldheden die

ontstaan zijn sinds 22 september 2014. Op die manier kan de burger correct geïnformeerd worden van het standpunt van de fiscus door zijn boekhouder, notaris, fiscalist, ... Immers, indien de partijen dit standpunt hadden gekend op 18 november 2011, dan zouden zij volgens de aanvrager in een andere configuratie dit onroerend goed hebben aangekocht.

13.3. De fiscus heeft nochtans in het verleden hier wel oog voor gehad. Zo bijvoorbeeld de problematiek inzake de gesplitste aankoop vruchtgebruik – blote eigendom waarbij de Administratieve beslissing van 19 april 2013[5] toegepast werd voor alle rechtshandelingen die vanaf 1 september 2013 werden gesteld. De fiscus paste geen retroactiviteit toe en gaf zelfs de burgers een aantal maanden respijt om zich op de verandering voor te bereiden.

Indien de fiscus haar standpunt met terugwerkende kracht had toegepast, zou dit een ramp geweest zijn voor heel wat successieplanningen die jaren geleden waren uitgevoerd.

13.4. Het is daarom verwonderlijk en onrechtvaardig volgens de aanvrager dat de Centrale Administratie dit over het hoofd heeft gezien in haar voormelde beslissing.

Terugwerkende kracht is, volgens de Raad van State, alleen verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Ik denk dat het evident is dat de nieuwe interpretatie van artikel 129-130 W.Reg. volgens de aanvrager niet onontbeerlijk is voor het algemeen belang.

[TOP]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit komt het besluitvormingsorgaan aan de hand van voorgaande beschrijving tot volgende beslissing;

14. De overdracht van 48% volle eigendom van de naamloze vennootschap “E” aan de heer C zal belast worden aan het verkooprecht.

15. Het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) van 13 december 2013 nam de bepaling van artikel 2.9.1.0.5 VCF op in de VCF met ingang van 1 januari 2015.

16. Artikel 2.9.1.0.5 VCF betreft een wettelijke fictie binnen de registratiebelasting. Dit artikel luidt:

“Art. 2.9.1.0.5.

Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een naamloze vennootschap, een commanditaire vennootschap op aandelen of een coöperatieve vennootschap.

Het eerste lid is niet van toepassing bij een verkrijging bij wijze van inbreng in een vennootschap.”.

De wettelijke fictie van artikel 2.9.1.0.5 VCF geldt “op welke wijze ook” de verkrijging geschiedt. Het speelt dus m.a.w. geen enkele rol welke de burgerrechtelijke kwalificatie van de rechtshandeling is (verkoop, verdeling, …) noch welke de vennootschapsrechtelijke context van de verkrijging is (vereffening, kapitaalvermindering, …).

17. De tekst van artikel 2.9.1.0.5 VCF is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Indien er een duidelijke tekst voorhanden is, dient de bedoeling van de wetgever niet te worden nagegaan.

18. De structuur van de codex bevestigt dat artikel 2.9.1.0.5 VCF een uitzondering vormt op artikel 2.10.1.0.1 VCF, m.n. onder “Hoofdstuk 9: Verkooprecht” “Belastbaar voorwerp” worden alle verrichtingen opgenomen die aan het verkooprecht en niet aan een andere Vlaamse registratiebelasting worden belast. Het openbare karakter van de fiscale decreetsbepalingen laat de Vlaamse Belastingdienst niet toe om artikel 2.9.1.0.5 VCF niet toe te passen in onderhavig geval.

19. De Raad van state had in haar advies 56.561/1/V van 3 september 2014 geen opmerkingen m.b.t. artikel 2.9.1.0.5 VCF, ook niet met de inwerkingtreding op 1 januari 2015.

20. De federale administratieve beslissing van 22 september 2014 kwam er omdat ondanks de duidelijke wettekst over de taxatie van uit onverdeeldheidtredingen tussen de vennoot en zijn vennootschap onzekerheid was ontstaan. Het standpunt van de FOD Financiën bevestigt alleen de strikte toepassing van ex-artikel 130 Wb.Reg. (op heden 2.9.1.0.5 VCF). Volgende zin in uw vraag: “Dit was decennialang de normale gang van zaken totdat de FOD Financiën op 22 september 2014 besliste dat in dit soort situaties het verkooprecht diende geheven te worden.” kan dus niet worden onderschreven.

Van schending van een rechtszekerheidsbeginsel/vertrouwensbeginsel kan bijgevolg geen sprake zijn.

21. Bijkomend kan nog vermeld worden dat ook in onderhavig geval van fiscale optimalisatie sprake kan zijn. De vennoot koopt een verwaarloosbaar percentage volle eigendom. De overige onverdeelde delen worden gekocht door zijn vennootschap. Achteraf draagt de vennootschap haar onverdeelde delen over aan de vennoot. Als 2.9.1.0.5 VCF niet zou toegepast worden, quod non, dan zou de eerste verkrijging door de vennoot van het beperkt percentage volle eigendom aan het verkooprecht getaxeerd worden en de latere verkrijging van overige onverdeelde delen aan het verdeelrecht (2,5%).

Terwijl een verkrijging ten bezwarende titel van het onroerend goed door de vennoot alleen in zijn hoofde het verkooprecht verschuldigd was.

22. De vennootschap betaalde op de verkrijging van haar onverdeeld deel van het onroerend goed eveneens het verkooprecht maar kon het verkregen gebouw afschrijven. Ook de aanschaffingskosten van de grond waren aftrekbaar. Ook andere kosten konden worden afgetrokken (kosten van herstelling, de OV, kosten voor de financiering van de aankoop, …). Dergelijke aftrekmogelijkheden zijn niet of slechts in beperkte mate aanwezig in hoofde van de vennoot-natuurlijke persoon.

 

[1] Beslissing van 22 september 2014, nr. E.E./106.218, Rep.RJ., R 129/27-01 en R 130/06-01; Rec.gén.enr.not. 2015/ 1, nr. 26690, 31.

[2] Memorie van Toelichting bij de wet van 30 augustus 1913.

[3] RvS 22 februari 2011, nr. 201.138; RvS 21 februari 2011, nr. 211.392.

[4] RvS 11 oktober 2011, nr. 208.034.

[5] Rep. RJ , nr. S 9/06-07

 

----------------

  • publicatie op 18.11.2015