Verzaking recht van vruchtgebruik

Voorafgaande beslissing nr. 16055 dd. 14.11.2016

Art. 2.8.6.0.1, 1° en 2.9.6.0.1, 3° VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichtingen
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat de voorgenomen verzaking aan het vruchtgebruik wordt vrijgesteld van registratiebelasting overeenkomstig de artikelen 2.8.6.0.1, eerste lid, 1° en 2.9.6.0.1, eerste lid 3° VCF.

[TOP]

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door notaris ‘X’.

3. De betrokken partijen zijn:

De heer en zijn echtgenote; zijnde de vruchtgebruikers, hierna de heer A en mevrouw B.

De heer en zijn echtgenote mevrouw; zijnde de blote eigenaars, hierna de heer C en mevrouw D.

4. Het betrokken onroerend goed is:

Een woonhuis op en met grond, hierna het onroerend goed.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. De vruchtgebruikers, zijnde het echtpaar A-B, wensen zuiver en eenvoudig afstand te doen van de geheelheid vruchtgebruik op het onroerend goed.

[TOP]

III. Motivering van de aanvraag

6. Op 19 november 1996 werd een schenkingsakte verleden waarbij de echtgenoten A-B het onroerend goed hebben geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik aan de heer C. Op dat ogenblik werd er schenkbelasting betaald op de volle eigendom van het onroerend goed.

Op 27 juli 2010 bracht de heer C de naakte eigendom van voormeld onroerend goed in in de huwgemeenschap C-D.

Gezien de hoge leeftijd van de vruchtgebruikers, zijn ze niet langer in staat hun plichten als vruchtgebruiker te vervullen en wensen zij thans zuiver en eenvoudig te verzaken aan hun vruchtgebruik. Het onroerend goed wordt onderhouden en gerenoveerd met gemeenschapsgelden van de blote eigenaars. Aangezien de renovatie en het onderhoud van het ingebrachte goed aanzienlijke financiële impact heeft op de huwgemeenschap en inzet van beide echtgenoten vergt, maakt dit deel uit van het gemeenschappelijk vermogen. De echtgenoten C-D zijn immers een hypothecair krediet aangegaan op 27 juli 2010 om het onroerend goed te onderhouden en in stand te kunnen houden, ingevolge akte van kredietopening verleden voor ondergetekende notaris, overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor op 11 augustus 2010.

Voornoemde blote eigenaars willen de mogelijkheid hebben tot creatie van een levenslang en onomzetbaar vruchtgebruik voor elk van beide echtgenoten.

Zij willen de mogelijkheid hebben tot toebedeling van de goederen in volle eigendom aan de langstlevende echtgenoot, indien mevrouw D eerst zou overlijden; dit in het kader van het keuzebeding door de echtgenoten C-D opgenomen in hun akte van huwelijkswijziging verleden voor ondergetekende notaris op 27 juli 2010.

Door deze inbreng beoogden de echtgenoten C-D dat de vermogenspositie en familiale positie van beide echtgenoten gelijk zou zijn ten overstaan van de gemeenschappelijke kinderen.

Gezien het een zuivere en eenvoudige eenzijdige afstand van het recht van vruchtgebruik betreft, is dit ons inziens onderworpen aan het algemeen vast recht (F. Werdefroy, Registratierechten 2014-2015, Mechelen, Kluwer, 2015, nr. 1130; J. Verstappen, “Verzaking aan het vruchtgebruik. Voortaan een fiscaal zeer gevaarlijke verrichting”, o.c., 366-368).

Conform artikel 2.8.6.0.1, eerste lid, 1° en 2.9.6.0.1, eerste lid 3° VCF is er een vrijstelling van de schenkbelasting en een vrijstelling van het verkooprecht indien deze reeds voldaan is op de volle eigendom van het onroerend goed, hetgeen in casu ook gebeurd is (bij de akte van 1996).

[TOP]

IV. Beslissing

7. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit komt het besluitvormingsorgaan tot volgende voorafgaande beslissing:

Artikel 2.8.6.0.1, eerste lid, 1° VCF luidt als volgt:

“Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor :

1° de overeenkomsten houdende schenking van vruchtgebruik aan de blote eigenaar, als de schenkbelasting of de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;”

Artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 3° VCF stelt:

“Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :

(…)

3° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;”

Indien het vruchtgebruik wordt overgedragen aan de blote eigenaar, waarbij de belasting door de blote eigenaar of door zijn rechtsvoorganger reeds op de volle eigendom is voldaan, voorziet de VCF dat de overdracht van het vruchtgebruik is vrijgesteld van de schenkbelasting (art. 2.8.6.0.1, 1ste lid, 1°) of van het verkooprecht (art. 2.9.6.0.1, 1ste lid, 3°), naar gelang van het geval.

Aangezien het echtpaar A-B zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden bij de schenking van de blote eigendom in de schenkingsakte van 19 november 1996 en er schenkbelasting werd betaald op de waarde van de volle eigendom kan artikel 2.8.6.0.1, eerste lid, 1° VCF toepassing vinden.

 

Bijgevolg maakt de verzaking aan het vruchtgebruik geen Vlaamse registratiebelasting opeisbaar.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

 [TOP]

----------

  • publicatie op 22.11.2016