Inbreng van een onroerend goed in een maatschap

Voorafgaande beslissing nr. 20004 dd. 30.03.2020

Art. 2.9.1.0.1. VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe te vernemen of er Vlaamse Registratiebelasting verschuldigd is bij de inbreng van een onroerend goed in een burgerlijke maatschap.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door notaris […] met standplaats te […], namens:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1965, met nationaal nummer […], en zijn echtgenote,

2.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1966, met nationaal nummer […], samen wonende te […].

Gehuwd onder het wettelijk stelsel der gemeenschap, krachtens huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1988. Gewijzigd, doch met behoud van het oorspronkelijke stelsel, ingevolge akte wijziging huwelijksstelsel verleden voor notaris […] op xx.xx.2016, ongewijzigd sedertdien.

2.3. Mevrouw Z, geboren te […] op xx.xx.1990, met nationaal nummer […], ongehuwd, wonende te […]. Dochter van de heer X en mevrouw Y.

2.4. De maatschap […], met zetel te […], ondernemingsnummer […].

De maatschap werd opgericht door de echtgenoten X-Y en door hun dochter mevrouw Z.

3. Het betrokken onroerend goed is:

GEMEENTE […], EERSTE AFDELING […] :

Een perceel weiland, gelegen ter plaatse […], gekend volgens titel onder sectie […] nummer […], thans gekend volgens recente kadastrale gegevens onder sectie […] nummer […], met een oppervlakte volgens titel en kadaster van één hectare achtenvijftig aren zestig centiaren (01ha 58a 60ca).

Voormeld goed behoort toe aan de heer X (eigen vermogen) en aan zijn dochter mevrouw Z, ieder voor de onverdeelde helft in volle eigendom.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

4. De heer X en mevrouw Z hebben het voornemen om ieder hun onverdeelde helft in voormeld goed in te brengen in de reeds bestaande maatschap.

Zowel de heer X als mevrouw Z zullen in ruil voor hun inbreng nieuwe aandelen ontvangen in de maatschap en dit in verhouding tot hetgeen zij ieder inbrengen.

De aandelen die toekomen aan de heer X zullen in zijn eigen vermogen vallen bij wijze van wederbelegging.

5. Wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan

Artikel 2.9.1.0.1. VCF : “Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”.

Artikel 115bis W. Reg.: “De inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in vennootschappen waarvan de zetel van werkelijke leiding in België gevestigd is, of de statutaire zetel in België en de zetel van werkelijke leiding buiten het grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap gevestigd is, worden het recht van 0% onderworpen.”.

Artikel 19, 5° W. Reg.: “Moeten binnen de bij artikel 32 gestelde termijnen geregistreerd worden:

2° De akten waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt;

5° De akten houdende inbreng van goederen in vennootschappen met rechtspersoonlijkheid waarvan, hetzij de zetel der werkelijke leiding in België, hetzij de statutaire zetel in België en de zetel der werkelijke leiding buiten het grondgebied der Lid staten van de Europese Economische Gemeenschap is gevestigd;”.

Artikel 1:5, § 1 WVV: “De maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.”.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

6. Artikel 2.9.1.0.1. VCF bepaalt dat het verkooprecht gevestigd wordt naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

Artikel 115bis W. Reg. bepaalt dat de inbreng van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden in vennootschappen, onderworpen is aan het recht van 0%.

In voormelde verrichting wordt er een perceel weiland ingebracht in de maatschap. Daar dit een onroerend goed is dat niet geheel of gedeeltelijk tot bewoning wordt aangewend of bestemd is, is deze inbreng onderworpen aan het recht van 0%.

In de voorafgaande beslissing nr. 17023 van 2 augustus 2017 werd echter door de Vlaamse Belastingdienst geoordeeld dat indien en in de mate waarin er sprake is van een eigendomsoverdracht bij de inbreng van het onroerend goed, er verkooprecht of schenkbelasting verschuldigd zal zijn en dit ongeacht de aard van het goed.

In deze beslissing werd artikel 115bis W. Reg. buiten spel gezet.

In de mate dat de Vlaamse Belastingdienst beslist dat bij huidige verrichting artikel 115bis W. Reg. niet van toepassing is verwijzen wij naar de fiscale transparantie van een inbreng van onroerende goederen in een maatschap dewelke in het verleden reeds verschillende keren werd bevestigd door de Vlaamse Belastingdienst:

In deze beslissingen werd bevestigd dat de inbreng van een onroerend goed in een maatschap niet noodzakelijk samengaat met een eigendomsoverdracht en dat er geen registratierecht verschuldigd is indien het aandeel van elke deelgenoot ongewijzigd blijft.

7. In voormelde verrichting ontvangen zowel de heer X als mevrouw Z maatschappelijke rechten in de maatschap (door de creatie van nieuwe aandelen) en dit in dezelfde verhouding als zij onverdeelde rechten hebben in het ingebrachte onroerende goed waardoor er geen sprake is van eigendomsoverdracht.

De huwgemeenschap X-Y heeft geen onverdeelde rechten in het ingebrachte goed.

Het is echter niet de bedoeling dat de huwgemeenschap X-Y rechten verwerft in het ingebrachte goed vandaar ook de creatie van nieuwe aandelen in het voordeel van de inbrengers en niet in het voordeel van de huwgemeenschap X-Y.

Bijgevolg is geen sprake van een eigendomsoverdracht en is er dus ook geen registratiebelasting verschuldigd.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

8. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

9. Evenmin doet de Vlaamse Belastingdienst uitspraak over federale bepalingen zoals bijvoorbeeld over de registratie van akten.

10. Krachtens art. 3, 6° van de Bijzondere Financieringswet is het Vlaamse Gewest bevoegd voor overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap.

Een maatschap is een vennootschap zoals bepaald in boek 4 van het WVV.

11. Voor de fiscale behandeling van de inbreng is de aard van de in de vennootschap in te brengen onroerende goederen doorslaggevend.

Een zuivere inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, valt binnen de toepassing van het verkooprecht (onroerende goederen) of van de schenkbelasting (roerende of onroerende goederen), naar gelang van de bedoeling van de partijen (overdracht onder bezwarende dan wel onder kosteloze titel).

Bij een zuivere inbreng van een woning in een maatschap dient vervolgens het onderscheid gemaakt te worden tussen een al dan niet eigendomsoverdragende inbreng om uit te maken of er Vlaamse registratiebelasting verschuldigd is. Een maatschap is immers een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (art. 1:5, §1, WVV). Concreet betekent dit dat de burgerlijke maatschap geen afgescheiden vermogen heeft en dat aldus de achterliggende maten vanuit juridisch oogpunt kunnen worden beschouwd als (onverdeeld) eigenaar van het onroerend goed.

12. Wanneer de zuivere inbreng in de maatschap betrekking heeft op een niet voor bewoning bestemd onroerend goed, zoals in casu, is er geen Vlaamse registratiebelasting verschuldigd, ongeacht of er bij die inbreng al dan niet een eigendomsoverdracht plaatsvindt. 


Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

 

-------------

- publicatie op 07.04.2020