Zijn aangezochte lidstaten ten allen tijde verplicht tot invordering over te gaan?

Een aangezochte lidstaat is niet gehouden tot bijstand wanneer :

A. een verzoek de schuldenaar ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard zou opleveren in de aangezochte lidstaat, en voor zover de geldende bepalingen in die lidstaat voorzien in zo’n uitzondering voor eigen schuldvorderingen (RL art 18,1 – decreet art 23 §1)

Het is voor de verzoekende staat onmogelijk in te schatten wat het gevolg van een verzoek om invorderingsbijstand zal zijn, laat staan dat zij weet of de rechtsregels in de aangezochte lidstaat in een dergelijke uitvoeringsbeperking voorzien voor de eigen vorderingen.

De aangezochte autoriteit zal zijn weigering om tot bijstand over te gaan motiveren aan de verzoekende autoriteit.

B.Een verzoek betrekking heeft op schuldvorderingen ouder dan 5 jaar (vanaf datum opeisbaarheid). (art 18,2)

De richtlijn voorziet in een uitbreiding van de termijn voor die gevallen waarin de aanslagen opgenomen in het verzoek het voorwerp uitmaakten van een betwisting of wanneer bijkomende betalingstermijnen werden toegekend.

De periode van 5 jaar vangt in voorkomend geval aan op de dag dat de schuldvordering niet langer kan worden betwist (wanneer termijnen voor beroep zijn verstreken) of wanneer de bijkomende betalingstermijnen zijn verlopen. Nooit echter is een land gehouden bijstand te verlenen voor vorderingen ouder dan 10.

Hier dient opgemerkt dat het vooralsnog onduidelijk is welke landen toch voorzien in een verlengde bijstand zonder dat aan voorgaande twee voorwaarden is voldaan. 

Verzoeken tot invordering voor aanslagen ouder dan 5 jaar zullen steeds moeten worden gemotiveerd.

C. Het totale bedrag van de schuldvorderingen < 1500 €. (art 18,3)

Hier geldt dat dit grensbedrag moet bekeken worden per belastingplichtige. Alle aanslagen waarvoor hij kan worden aangesproken (zowel de aanslagen ingekohierd op zijn naam als  de aanslagen gevestigd in hoofde van een derde waarvoor hij krachtens de Belgische wetgeving gehouden is tot betaling).

Algemeen wordt aangenomen dat de grens van 1500 € bestuursoverschrijdend werkt. Een Vlaamse en lokale vordering die elk apart niet in aanmerking zouden komen voor bijstand, kunnen door samenvoeging het voorwerp uitmaken van een verzoek om bijstand.

Opmerking:

In art 5,2 ° van Richtlijn 2010/24/EU voorziet de Unie een aantal situaties waarbij de aangezochte autoriteit kan weigeren de gevraagde informatie te verstrekken.

  • Wanneer de aangezochte autoriteit verzocht wordt inlichtingen te verstrekken die zij voor eigensoortgelijke vorderingen niet zou kunnen bekomen.
  • Wanneer het inlichtingen betreft die een handels-, bedrijfs-, nijverheids-, of beroepsgeheim zou gaan onthullen.
  • Wanneer het verstrekken van de gevraagde inlichtingen de veiligheid in de aangezochte lidstaat in het gedrang zou brengen, of wanneer deze in strijd zouden zijn met de openbare orde van de lidstaat.

De Vlaamse Overheid herneemt deze gevallen in art 15 § 2 van haar decreet.

Wanneer een aangezochte autoriteit meent dat aan het verzoek, om bovenstaande redenen, niet kan worden tegemoet gekomen dan dient zij dit te motiveren ( RL art 5,4°).

Daarnaast voorziet de Richtlijn in art 18,2 (decreet : art 23 § 2) dat een lidstaat niet gehoudenis bijstand te verlenen wanneer het een verzoek betreft voor vorderingen ouder dan 5.

Evenwel voorziet de Richtlijn in een uitbreiding van de termijn voor die gevallen waarin de aanslagen opgenomen in het verzoek het voorwerp uitmaakten van een betwisting of wanneer bijkomende betalingstermijnen werden toegekend.

De periode van 5 jaar vangt in voorkomend geval aan op de dag dat de schuldvordering niet langer kan worden betwist (wanneer termijnen voor beroep zijn verstreken) of wanneer de bijkomende betalingstermijnen zijn verlopen. Nooit echter is een land gehouden bijstand te verlenen voor vorderingen ouder dan 10.