Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Artikel 2.9.4.2.1. VCF en artikel 2.9.3.0.3. VCF

Voorwerp betwisting

Overgangsbepaling verjaringstermijn  aanvullende registratierechten - art. 5.0.0.0.11 VCF - 31 december 2019 - wijziging gezinssituatie en financiële situatie - geen overmacht

Rechtbank of Hof

Hof van beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2018/AR/1930

Datum uitspraak

10 september 2019

Status

Definitief

 

Overgangsbepaling verjaringstermijn aanvullende registratierechten - art. 5.0.0.0.11 VCF - 31 december 2019 - wijziging gezinssituatie en financiële situatie - geen overmacht

Samenvatting

Bij notariële akte van 13 februari 2006 kocht de belastingplichtige een woonhuis. De belastingplichtige verzocht om toepassing van het abattement (artikel 46bis W. Reg.) en een vermindering van registratierechten zoals bepaald in artikel 53, 2° W. Reg. (het zogenaamde 'klein beschrijf').

De belastingplichtige bewoonde het pand niet en vestigde haar domicilie niet op dit adres. Zij verkocht het woonhuis.

Op 9 augustus 2016 werd aan de belastingplichtige een aanslag in de registratiebelasting verstuurd voor aanslagjaar 2006. In hoofde van de belastingplichtige werden bijkomende registratierechten ingekohierd alsook een belastingverhoging, omdat niet was voldaan aan de 2-jaar bewoningsplicht en 3-jaar ononderbroken inschrijvingsplicht om te kunnen genieten van het abattement en het klein beschrijf.

De belastingplichtige tekende hiertegen bezwaar aan, doch dit werd afgewezen bij beslissing van 6 januari 2017. De Vlaamse belastingdienst aanvaardde de door belastingplichtige aangehaalde omstandigheden niet als een geval van overmacht.

De eerste rechter oordeelde dat ingevolge het nieuwe artikel 3.3.3.0.1, §4/2 VCF de invordering van de aanvullende rechten verschuldigd wegens het niet-naleven van de voorwaarden die gelden tot het behoud van verminderingen van de grondslag of het belastingtarief eerst verjaart op 31 december 2019. Vlabel was derhalve gerechtigd om op 4 augustus 2016 de aanvullende rechten in te vorderen. Het overlijden van de partner en de financiële situatie werden niet aanvaard als overmacht.

Het Hof van Beroep bevestigt nu het vonnis.

Inzake de verjaring oordeelt het Hof:

Zoals de eerste rechter oordeelde hield artikel 214, 3° Wb. Reg. in dat de registratierechten uiterlijk op 13 februari 2016 hadden moeten ingevorderd zijn, maar dat moet rekening gehouden worden met de bevoegdheidsoverdracht van de FOD Financiën (Belgische Staat) naar VLABEL op 1 januari 2015.

Dat artikel 214, 3° Wb. Reg. vervangen werd door artikel 3.3.3.0.1, §4/2 VCF en in zijn eerste lid een verjaringstermijn van vijf jaar voorziet vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting, is hier zonder invloed. Het is immers het derde lid van dat artikel dat toepasselijk is, waarvan de tekst als volgt luidt:

In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens

het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.

Vlabel beschikt op grond van die bepaling over een termijn van vijf jaar om de aanvullende rechten wegens niet naleving van de voorwaarden voor verminderingen te heffen vanaf 1 januari 2015; dat was de datum van de bevoegdheidsoverdracht en dus de dag waarop de vordering van het Vlaams Gewest is ontstaan. Op die dag was, zoals hoger vastgesteld de verjaring van tien jaar nog niet verstreken. Dat betekent dat de verjaringstermijn voor de invordering van de aanvullende registratierechten door Vlabel liep tot 31 december 2019 (de dag voor 1 januari 2020).

Waar de bepalingen met betrekking tot de verjaring uit de Vlaamse Codex Fiscaliteit pas op 1 januari 2014 in werking traden, bepaalt zijn artikel 5.0.0.0.11, eerste lid trouwens:

De belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet

van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die nog niet zijn voldaan op 31 december 2014, en waarvoor de termijnen voor invordering die op die datum van toepassing zijn, nog niet verstreken zijn, kunnen in afwijking van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 4/1 en§ 4/2, worden geheven tot en met 31 december 2019.

De registratierechten worden vermeld in artikel 3, eerste lid 6° van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten waardoor artikel 5.0.0.0.11, eerste lid VCF hier wel degelijk van toepassing is.

Zoals hoger reeds vermeld, was de oude invorderingstermijn van (oud) art. 214, 3° Wb. Reg. (VL) op 31.12.2014 nog niet vervallen, waardoor Vlabel gerechtigd is die aanvullende registratierechten, meer intresten en fiscale boeten tot 31 december 2019 in te vorderen.

Deze grief is ongegrond volgens het Hof.

Inzake de overmacht oordeelt het Hof:

Op basis van de voorliggende feiten, komt het Hof tot het besluit dat geen bewijs voorligt van een (wettelijke of feitelijke) stabiele samenwoning van de heer V. met de belastingplichtige. Dat de architect in een beschrijving over het bouwproject (dat hij uiteindelijk in afgeslankte vorm uitvoerde voor het koppel dat het betreffende woonhuisje van de belastingplichtige gekocht heeft) vermeldt dat hij door de belastingplichtige en de heer V. gecontacteerd werd voor de opdracht, levert dat bewijs niet, ook niet samen met de foto's waarop zij beiden samen zijn afgebeeld en het feit dat ze samen oprichters waren van W. nv, een handelsonderneming. In de akte van oprichting van die vennootschap staan beiden vermeld met een verschillend adres en uit niets blijkt dat ze ooit op hetzelfde adres woonden, terwijl het eenvoudig zou zijn daarvan een officieel bewijs bij te brengen.

Het is evenmin aangetoond dat het voor de belastingplichtige onmogelijk zou geweest zijn om tot een bouwproject met het woonhuisje over te gaan om aan de nodige vereisten waarover het geschil gaat te kunnen voldoen zonder de financiële bijdrage van de heer V. Wanneer kan aangenomen worden dat het voor de belastingplichtige - gelet op de onbestaande wettelijke band - niet mogelijk is om stukken te bekomen over de financiële mogelijkheden van de heer V., was dat nochtans niet onmogelijk voor haar eigen situatie. Het speelt onmiskenbaar een rol dat de aanslag pas negen jaar na datum werd gevestigd. Toch mag van een normale, redelijke burger die - zoals de belastingplichtige - belang hecht aan het kunnen genieten van een fiscale gunstmaatregel, verwacht worden dat hij zich voorziet van de nodige bewijzen om zijn overmachtssituatie te kunnen verantwoorden. Wanneer al niet zou kunnen verwacht worden dat de belastingplichtige zelf het initiatief nam om te laten weten dat zij zich met overmacht geconfronteerd zag (wat veronderstelde dat zij die bewering ook toen met stukken zou onderbouwd hebben), viel dus minstens te verwachten dat de belastingplichtige de nodige stukken zou bijeengebracht hebben en bijgehouden. Overigens toont de belastingplichtige niet aan dat ze hoe dan ook geen stukken meer kan bijeenbrengen met betrekking tot bijv. leningsaanvragen, beschikbare gelden of waarden, enz., al zou dat enige inspanning vergen bij het opvragen bij derden.

De eerste rechter heeft volgens het Hof terecht geoordeeld dat de belastingplichtige niet het vereiste bewijs van overmacht levert.