Toekenning van schuldvorderingen in een erfovereenkomst – fiscale kwalificatie?

Standpunt nr. 19006 dd. 11.05.2020


 

Artikel 1100/7, §1, derde lid BW bepaalt: ‘De overeenkomst kan eveneens één of meerdere vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn toebedelen door middel van een schuldvordering ten laste van de uitdrukkelijk in de overeenkomst aangeduide partijen.’

De zuivere toekenning van een schuldvordering in een erfovereenkomst zoals bedoeld in artikel 1100/7, §1, derde lid BW, heeft tot doel het tot stand brengen van een ‘subjectief evenwicht’ tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn. De verrekening tussen de kinderen (ongeacht door de ouders opgelegd of tussen afstammelingen-erfgenamen overeengekomen) om tot dit evenwicht te komen, wordt fiscaal niet beschouwd als een schenking onderworpen aan schenkbelasting. Het opleggen van dergelijke schuldvordering wordt fiscaal neutraal behandeld.

  • Zo wordt het geval waarin de ouder(s) aan één of meer kinderen, die vroeger reeds een schenking of een ander voordeel hebben gekregen, de last oplegt/opleggen een geldsom te betalen aan één of meer andere kinderen die tot dan toe minder werden bevoordeeld,

    • noch als een onrechtstreekse schenking (schenking met last) door de ouders
    • noch als schenking tussen de kinderen
      beschouwd.
  • De toekenning van een schuldvordering die niet ter compensatie van een eerder genoten schenking/voordeel opgelegd wordt, wordt eveneens fiscaal neutraal behandeld.

Bijgevolg is bij loutere toekenning van een schuldvordering in een erfovereenkomst zoals bedoeld in artikel 1100/7, §1, derde lid BW, geen schenkbelasting noch erfbelasting (indien betaalbaar gesteld bij overlijden van de toekomstige erflater) verschuldigd op de waarde van de schuldvordering.

Wordt in de erfovereenkomst een schuldvordering opgelegd ten voordele van kind B ten laste van kind A ter compensatie van een nieuwe schenking die in de erfovereenkomst wordt gedaan ten voordele van kind A, dan is deze schuldvordering een last die aan de schenking wordt gekoppeld (een secundaire schenking). De heffing van de schenkbelasting gebeurt overeenkomstig art. 2.8.3.0.1, §3 VCF.

 

Inwerkingtreding standpunt

Voor erfovereenkomsten verleden vanaf de datum van de publicatie van het standpunt, behalve wanneer het oud standpunt voordeliger zou zijn, en dit voor erfovereenkomsten verleden tot 1 juli 2020.

Voor erfovereenkomsten verleden vóór 1 juli 2020 geldt bovendien het volgende:

  • De begunstigde van de betaalde schuldvordering, die schenkbelasting betaald heeft in toepassing van het vroegere standpunt,  kan bezwaar indienen, hetzij ambtshalve ontheffing vragen.
  • De schuldenaar-betaler van de schuldvordering, kan deze nog als secundaire last in mindering brengen van zijn vroeger verkregen schenking, en ambtshalve ontheffing vragen  (tenzij de schuldvordering niet meer belast wordt met schenk- of erfbelasting, of tenzij er teruggave werd toegestaan van schenk- of erfbelasting aan de begunstigde van de schuldvordering)
  • Indien een schuldvordering werd opgenomen die betaalbaar werd gesteld bij het overlijden van de toekomstige erflater, zal deze schuldvordering geen aanleiding geven tot het heffen van erfbelasting (geen toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF) aangezien de toekenning van een schuldvordering niet als een roerende schenking wordt beschouwd.

 

-----------------

  • standpunt aangevuld met 'Inwerkingtreding standpunt' op 11.05.2020, publicatie op 25.05.2020
  • oorspronkelijk standpunt dd. 14.04.2020, publicatie op 28.04.2020