Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 27 W. Succ. (thans art. 2.7.3.4.1 VCF)

Voorwerp betwisting

Borgstelling aangegaan door overledene: passief nalatenschap

Rechtbank of Hof

Hof van beroep

Plaats

Antwerpen

Rolnummer

2016/AR/1293

Datum uitspraak

9 januari 2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het betreft de nalatenschap van mevr. H. (overleden op 31/08/1989). Zij laat haar echtgenoot dhr. W. en 2 kinderen na.

In de oorspronkelijke aangifte wordt melding gemaakt van diverse borgstellingen die de overledene was aangegaan bij KB (thans KBC), Fidisco, HSA, SGB,...

Er werd naderhand een aanvullende aangifte ingediend met melding van een schuld van de huwgemeenschap jegens SGB t.b.v. 20.310.213 BEF met verwijzing naar de borgstellingen die pro memorie werden aangegeven in de oorspronkelijke aangifte.

Deze schuld werd slechts gedeeltelijk aanvaard door de ontvanger met name het deel dat effectief werd betaald door de nalatenschap zijnde 4.140.000 BEF.

In de procedure in eerste aanleg vermeldde de erfgenaam verscheidene nieuwe passiefposten nl. bijkomende borgstellingen jegens SGB, KB, Fidisco, HSA,… 

Er volgt een langdurige gerechtelijke procedure (vonnis rechtbank eerste aanleg Brussel 17/04/2007 - arrest hof van beroep Brussel 14/06/2012 - arrest hof van cassatie 20/03/2014) die nu zijn einde heeft gevonden bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 09/01/2018.

Het hof van Beroep te Antwerpen verwijst naar het cassatiearrest van 20/03/2014 in deze zaak waar het hof van Cassatie als volgt oordeelt:

“Als op de dag van het overlijden bestaande schulden kunnen slechts worden beschouwd de schulden die een zekere en definitieve last van de nalatenschap vormen. Hieruit volgt dat een schuld uit hoofde van een door de overledene verleende borgstelling slechts in het passief kan worden opgenomen in de mate waarin de nalatenschap de gewaarborgde schuld heeft betaald en zij, ten gevolge van de insolvabiliteit van de hoofdschuldenaar, niet beschikt over nuttige verhaalsmogelijkheden tegen deze laatste.

Deze regel geldt evenzeer wanneer de hoofdschuldenaar tevens erfgenaam is.”

Over het feit dat de schuld van de heer W. ten aanzien van de Generale Bank een bedrag van 20.310.213 BEF betrof, bestaat geen betwisting, evenmin als over het feit dat mevrouw H. zich voor dit bedrag borg had gesteld. Dit blijkt uit het attest van de bank.

Het feit dat deze schuld nog integraal bestond op het moment van het overlijden van mevrouw H. volstaat evenwel niet voor de aftrekbaarheid ervan, vermits zij slechts borg was ten aanzien van deze schuld. Dat het een schuld betrof van haar echtgenoot, tevens erfgenaam doet aan het voorgaande geen afbreuk.

Uit de stukken blijkt dat slechts een deel van de schuld, met name 4.140.000 BEF werd betaald door de nalatenschap. De bank heeft zich bij brief van 11 december 1997 akkoord verklaard om deze gedeeltelijke betaling te aanvaarden voor slot van alle rekeningen. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de nalatenschap een groter deel van deze schuld zou hebben betaald.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat enkel dit deel van de schuld ten aanzien van de Generale Bank in het passief kan worden opgenomen.