Wijziging statuten maatschap en modaliteiten schenking - Afkoop levensverzekeringscontracten en herinvestering

Voorafgaande beslissing nr. 18055 dd. 18.02.2019

Artt. 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.9, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.6, 2.7.3.2.8 en 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvrager meent dat er op heden, vóór het stellen van de hierboven beschreven voorgenomen verrichtingen, geen erfbelasting zal verschuldigd zijn op grond van art. 2.7.1.0.7 VCF, art. 2.7.1.0.9 VCF, art. 2.7.1.0.3, 3° VCF en artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van enig welk ander artikel, bij het overlijden van de schenkers op de waarde van de in 2010 en 2014 geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen in de plaats is of zou zijn gekomen.

2. De aanvrager wenst evenwel zekerheid te bekomen en zal de sub 2., A. en B.  beschreven aanpassingen/verduidelijkingen - in de lijn met hetgeen o.a. werd bevestigd in de voorafgaande beslissing met nr. 17019 d.d. 21 juni 2017 - doen aan de statuten van de maatschappen “A” en “B” en aan de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014.

3. De aanvraag strekt ertoe te bevestigen dat er alleszins ná de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting meer zal zijn verschuldigd:

  • Op grond van art. 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF (vraag 1)?Op grond van art. 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF (vraag 2)?
  • Op grond van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF (vraag 3)?
  • Op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF desgevallend j. art. 2.7.3.2.8 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF (vraag 4)?
  • Op grond van eender welke andere bepaling?

  [TOP]

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

4. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:

5. De heer “de vader” […], van Belgische nationaliteit, […] en mevrouw “de moeder” […], van Belgische nationaliteit, […], zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel conform de bepalingen van hun huwelijkscontract verleden op xx.xx.2010 voor notaris […].

6. Uit het huwelijk van de echtgenoten “de vader - de moeder” zijn twee kinderen geboren, met name:

  •  “de dochter” […], van Belgische nationaliteit, […], ongehuwd.

Mevrouw “de dochter” heeft 2 kinderen, met name: “kleinkind1” en “kleinkind2”.

  • “de zoon” […], van Belgische nationaliteit, […], ongehuwd.

De heer “de zoon” heeft één kind, met name: “kleinkind3”.

7. Andere betrokken partijen:

  • de burgerlijke maatschap “A”, […], opgericht door de dochter en de zoon, ingevolge onderhandse akte van xx.xx.2014.
  • de burgerlijke maatschap “B”, […], opgericht door de echtgenoten “de vader – de moeder”, de dochter en de zoon, ingevolge onderhandse akte van xx.xx.2014

II. B. Beschrijving van de verrichting(en)

II.B.1. Beschrijving van de reeds gedane verrichtingen

8. De familie richtte op xx.xx.2014, in het kader van een vermogensplanning, twee maatschappen op: de maatschap A en de maatschap B.

a. Oprichting van de maatschap A

9. De maatschap A werd opgericht door de kinderen van de echtgenoten “de vader - de moeder”, de dochter en de zoon. De dochter bracht daarbij een levensverzekeringcontract met nummer […] afgesloten bij […] (Luxemburg) […] in, met een waarde van […] EUR. De zoon bracht een levensverzekeringcontract met nummer […] afgesloten bij […] (Luxemburg) […] in, met een waarde van […] EUR. In ruil voor hun respectievelijke inbrengen verkregen de dochter en de zoon elk 1.720 delen in de maatschap A.

10. De aldus ingebrachte levensverzekeringscontracten waren onderschreven op xx.xx.2009 door de dochter en de zoon. De dochter respectievelijk de zoon waren hierbij zowel verzekeringnemer als verzekerd hoofd; hun ouders, de echtgenoten “de vader - de moeder” waren hierbij telkens de begunstigden. Een kopie van deze contracten werd bezorgd.

11. Beide kinderen kregen nadien van hun ouders de volgende middelen ter beschikking om in de polissen te storten, en dit via onrechtstreekse schenking waaromtrent telkens ook een pacte adjoint werd opgesteld:

a. Pactes adjoints d.d. xx.xx.2010: onrechtstreekse schenking van liquiditeiten ten bedrage van […] en effecten ter waarde van […] aan zowel de dochter als de zoon;

b. Pactes adjoints d.d. xx.xx.2010: onrechtstreekse schenking van liquiditeiten ten bedrage van […] en effecten ter waarde van […] aan zowel de dochter als de zoon;

c. Pactes adjoints d.d. xx.xx.2010: onrechtstreekse schenking van liquiditeiten ten bedrage van […] aan zowel de dochter als de zoon.

12. Aan deze onrechtstreekse schenkingen waren bepaalde voorwaarden, lasten en modaliteiten verbonden zoals bepaald in de pactes adjoints d.d. xx.xx.2010, xx.xx.2010 en xx.xx.2010.

13. Als gevolg van de inbreng van de levensverzekeringscontracten, golden de voorwaarden, lasten en modaliteiten gekoppeld aan de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010, eveneens voor de delen in de maatschap A verworven door de dochter en de zoon. Deze delen waren door zaakvervanging in de plaats gekomen van de aan de dochter en de zoon geschonken vermogensbestanddelen.

14. In het kader van deze inbreng werd in de nodige avenanten bij de verzekeringscontracten voorzien, namelijk avenanten tot inbreng in de maatschap (een kopie van deze avenanten werd bezorgd). Tevens werd per polis voorzien in een avenant tot wijziging van de begunstigingsclausule (een kopie van deze avenanten werd bezorgd), waarbij de maatschap A, zijnde de nieuwe verzekeringnemer, en bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid haar deelgenoten in verhouding tot hun deelgerechtigdheden, werden aangeduid als begunstigden, met name:

  • De dochter ten belope van 50%
  • De zoon ten belope van 50%

15. Op xx.xx.2014 deden de echtgenoten “de vader - de moeder” een nieuwe schenking aan de dochter en de zoon en fideïcommissionair aan hun kleinkinderen, kleinkind1 en kleinkind2 (kinderen van de dochter) en kleinkind3 (dochter van de zoon), waarbij werd overgegaan tot schenking van delen in de maatschap B (zie hierna). Als last van deze schenking werd bedongen dat alle aan deze nieuwe schenking verbonden voorwaarden, lasten en modaliteiten ook zouden gelden ten aanzien van de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010. De voorwaarden, lasten en modaliteiten gekoppeld aan de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010 werden aldus vervangen door de voorwaarden, lasten en modaliteiten gekoppeld aan de schenking van de delen in de maatschap B, zodoende dat sinds xx.xx.2014 zowel ten aanzien van de delen in de maatschap B als de delen in de maatschap A, dezelfde voorwaarden, lasten en modaliteiten gelden. Ter zake werd d.d. xx.xx.2014 ook een akte “Verklaring inzake historiek levensverzekeringscontracten” verleden voor notaris […], waarvan een kopie werd bezorgd.

b. Oprichting van de maatschap B

16. De maatschap B werd op xx.xx.2014 opgericht door de echtgenoten “de vader - de moeder” en hun kinderen de dochter en de zoon.

17. Door de echtgenoten “de vader - de moeder” werden volgende vermogensbestanddelen ingebracht, behorende tot hun gemeenschappelijk vermogen:

  • Een beleggingsportefeuille (inclusief zichtrekening) aangehouden bij […], met een waarde per xx.xx.2014 van […];
  • Negentienduizend zevenhonderd (19.700) aandelen op naam van de […], daarbij uitgaande van een waarde voor de volle eigendom gelijk aan de eigen vermogenswaarde per xx.xx.2014, met name een waarde van […];
  • Een vordering in rekening-courant op voormelde vennootschap […] met een waarde per xx.xx.2014 van […];
  • Vijfhonderdvijftig (550) aandelen op naam van de Besloten Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid […], daarbij uitgaande van een waarde voor de volle eigendom gelijk aan de eigen vermogenswaarde per xx.xx.2014, met name een waarde van […].

18. De kinderen de dochter en de zoon brachten elk een bedrag in van […].

19. In ruil voor hun inbreng verkregen de echtgenoten “de vader - de moeder” 3.072 delen van de maatschap B in volle eigendom (en huwelijksvermogensrechtelijk toebehorend aan hen beiden gemeenschappelijk). De kinderen de dochter en de zoon kregen voor hun inbreng elk 1 deel in de maatschap in volle eigendom.

20. Vervolgens hebben de heer en mevrouw “de vader - de moeder” hun 3.072 delen van de maatschap B in volle eigendom aan hun kinderen (en fideïcommissair aan hun kleinkinderen) geschonken, elk ten belope van de helft. Deze schenking werd op xx.xx.2014 gedaan voor Nederlandse notaris. De schenking werd niet ter registratie aangeboden in België.

c. Statuten van de maatschappen A en B

21. Een kopie van de statuten van zowel de maatschap A als de maatschap B werd voorgelegd. Inhoudelijk zijn de statuten van beide maatschappen identiek.

22. Ten aanzien van beide maatschappen, bepalen de respectievelijke statuten onder meer wat volgt:

  • Doel

    • Het doel van de Maatschap is burgerlijk van aard, en behelst hetgeen volgt: in een familiale sfeer waarin wordt gestreefd naar samenwerking, continuïteit en het verstevigen van de familiale banden, het familiaal vermogen in stand te houden en te vergroten. In dit kader wordt gestreefd naar een continuïteit in de samenwerking tussen de vennoten. In dit kader zal de vennootschap het familiaal vermogen beheren als een goed huisvader. Aldus kan worden belegd in alle soorten roerend en onroerend vermogen, zowel in het binnenland als in het buitenland. Opbrengsten, hetzij in de vorm van periodieke inkomsten, hetzij ingevolge behaalde meerwaarden, volgen datzelfde doel en dienen conform hiermee belegd te worden. Te dien einde mag ook worden belegd in aandelen van een vennootschap met een industriële, handels- of andere activiteit. Eveneens kan worden belegd in een levensverzekering.
    • Met betrekking tot de ingebrachte en nog in te brengen vermogensbestanddelen, en met betrekking tot de vermogensbestanddelen waarin desgevallend zal worden herbelegd, mogen geen handelingen worden gesteld die de burgerlijke activiteit in het gedrang zullen brengen of zouden kunnen brengen. Meer bepaald zal de Maatschap als dusdanig zich onthouden van enige industriële, handels- of andere commerciële activiteit.
    • De Maatschap kan alle handelingen stellen die op welke wijze ook kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, met uitdrukkelijke uitsluiting evenwel van handelingen als bedoeld in de Wetten en Koninklijke Besluiten op de financiële transacties en de financiële markten en over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies.
  • Duur
    • Tot tien jaar na het overlijden van de langstlevende van de heer “de vader” en mevrouw “de moeder”, met dien verstande dat de maatschap op voormelde datum toch zal blijven bestaan indien de jongste vennoot op dat ogenblik de leeftijd van 28 jaar nog niet heeft bereikt en totdat voormelde vennoot deze leeftijd heeft bereikt.
    • Zodra er tien jaar is verstreken na het overlijden van de langstlevende van de heer “de vader” en mevrouw “de moeder”, vindt er, in de hypothese dat de maatschap alsdan blijft voortbestaan omwille van het feit dat de jongste vennoot de leeftijd van 28 jaar nog niet heeft bereikt, van rechtswege een partiële ontbinding plaats ten voordele van de vennoten die de leeftijd van 28 jaar hebben bereikt of bereiken.
    • Er is tevens voorzien dat zolang de maatschap voortbestaat na het overlijden van de langstlevende van de heer “de vader” en mevrouw “de moeder”, meester […] (tevens in de statuten aangeduid als arbiter) delen verwerft van de maatschap op het ogenblik dat de langstlevende van de dochter en de zoon overlijdt. Te dien einde is er een aandelenverkoop onder opschortende voorwaarden gesloten door […] met zowel de dochter als de zoon, waarvan u kopie in bijlage vindt.
  • Overdraagbaarheid delen onder levenden
    • Vervreemdingsverbod tenzij mits unanieme, voorafgaande en schriftelijke toestemming van alle andere vennoten, inclusief de personen die desgevallend gerechtigd zijn het stemrecht uit te oefenen voor de vennoten.
  • Zaakvoerder
    • Statutaire aanstelling
      • De heer “de vader” en mevrouw “de moeder”.
      • In de mate één van beide statutaire zaakvoerders niet in staat is om zijn/haar functie als zaakvoerder uit te oefenen (bv. omdat hij/zij onder een rechterlijke beschermingsmaatregel is geplaatst) of na overlijden van één van hen, wordt de andere statutaire zaakvoerder van rechtswege de enige statutaire zaakvoerder van de Maatschap.
    • Bevoegdheden
      • Aan de zaakvoerder wordt de meest ruime bevoegdheid gegeven met betrekking tot het bestuur en beheer van de Maatschap, de interne en externe vertegenwoordiging van de Maatschap en de beleggingsbeslissingen.
      • De zaakvoerder is exclusief, en met uitsluiting van alle andere vennoten, bevoegd om alle daden van beheer en alle daden van beschikking, in de ruimst mogelijke betekenis, te stellen met betrekking tot het ingebrachte en nog in te brengen vermogen, alsook met betrekking tot de vermogensbestanddelen die in de plaats komen van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen door belegging, wederbelegging, zaakvervanging, alsook met betrekking tot alle toekomstige interesten, vruchten en opbrengsten, hoe ook genoemd, van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen en/of wat daarvoor in de plaats is gekomen, die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de Maatschap, daarbij optredend voor alle vennoten.
      • De zaakvoerder is onder meer (niet limitatief) exclusief bevoegd om de volgende daden van beheer te stellen:
        • het innen van interesten, opbrengsten en vruchten, met betrekking tot het vermogen;
        • het herbeleggen van roerende waarden, bekomen hetzij op de vervaldag, hetzij tussentijds;
        • het doorstorten van niet-gereserveerde interesten, opbrengsten en vruchten aan de vennoten;
        • het beslissen om de toekenning of de betaalbaarstelling van niet-gereserveerde interesten, opbrengsten en vruchten aan de vennoten al dan niet uit te stellen;
        • de bevoegdheid om welbepaalde taken toe te vertrouwen aan een derde-lasthebber;
        • de bevoegdheid om de vennoten in rechte te vertegenwoordigen;
        • openen van een rekening bij De Post, banken of andere kredietinstellingen in naam van de Maatschap.
      • De zaakvoerder is onder meer (niet limitatief) exclusief bevoegd om de volgende daden van beschikking te stellen:
        • het vervreemden of wederbeleggen van de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid;
        • het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan alle aandelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid;
        • het kopen, verkopen, verhuren of het ten bezwarende titel afstaan van het gebruik aan derden van de goederen behorende tot de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid;
        • het onderschrijven van kapitaal in een handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld in een NV, BVBA, CVBA, …) of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld in een maatschap, …);
        • het wederbeleggen van de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid in onroerende goederen.
      • De zaakvoerder is tevens onder meer (niet limitatief) exclusief bevoegd om de volgende daden met betrekking tot bepalen van het beleggingsprofiel te stellen:
        • een overeenkomst van “discretionair vermogensbeheer” en haar bijlagen af te sluiten alsook het toepasselijk “investeringsprofiel” en de eventuele modaliteiten en beperkingen te bepalen voor de betreffende overeenkomst;
        • een overeenkomst van “beleggingsadvies” en haar bijlagen af te sluiten alsook het toepasselijk “investeringsprofiel” en de eventuele modaliteiten en beperkingen te bepalen voor de betreffende overeenkomst. Dit bijzonder mandaat tot ondertekening van een overeenkomst van beleggingsadvies omvat eveneens de bevoegdheid tot het ontvangen van deze adviezen en tot het eventueel doorgeven van orders in financiële instrumenten waarover advies werd verleend;
        • in het kader van de dienst “advies in financiële instrumenten” de geschiktheidstest uit te voeren en af te sluiten om het toepasselijk “investeringsprofiel” te bepalen voor de betreffende dienst. Dit bijzonder mandaat tot ondertekening en afsluiten van de geschiktheidstest voor de dienst “advies in financiële instrumenten” omvat eveneens de bevoegdheid tot het ontvangen van deze adviezen en tot het eventueel doorgeven van orders in financiële instrumenten waarover advies werd verleend.

Meer in het algemeen kan de zaakvoerder het beleggingsprofiel, in de meest ruime zin, in het kader van de mifid-regeling, of eender welke andere regeling, bij bankinstellingen gaan bepalen.

  • De vennoten die niet werden benoemd als zaakvoerder kunnen geen daden van beheer, noch daden van beschikking stellen met betrekking tot de goederen die tot het vermogen van de Maatschap behoren.
  • De zaakvoerder kan, met behoud van zijn verantwoordelijkheid, werkzaamheden van administratieve aard geheel of gedeeltelijk laten uitvoeren door een door hem voor die bepaalde aangelegenheden aangestelde lasthebber, en dit al dan niet tegen vergoeding.
  • Indien de zaakvoerder beslist om de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid al dan niet gedeeltelijk te wederbeleggen in onroerende goederen, dan zullen de vennoten hieraan hun medewerking verlenen bij het verlijden van de notariële akte en desgevallend de zaakvoerder een authentieke volmacht verlenen teneinde de zaakvoerder in de mogelijkheid te stellen deze daad van beschikking, die tot zijn exclusieve bevoegdheid behoort, te kunnen stellen. In voorkomend geval dient, zowel in de eventuele volmacht als in de aankoopakte van het onroerend goed of onroerende goederen te worden bepaald dat de zaakvoerder de middelen van de Maatschap mag aanwenden ter aankoop van een onroerend goed, in naam en voor rekening van de vennoten in dezelfde verhouding als de alsdan geldende delenverhouding van de Maatschap.
  • Indien de zaakvoerder beslist het vermogen van de Maatschap geheel of gedeeltelijk te investeren in een levensverzekering, zullen alle rechten, en onder andere de persoonlijke rechten verbonden aan dit contract van levensverzekering, worden uitgeoefend door de (opvolgende) zaakvoerder in het uitsluitende belang van de Maatschap en de achterliggende vennoten van de Maatschap, en dit zolang de Maatschap blijft voortduren. Daartoe zal de (opvolgende) zaakvoerder, bij toepassing van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen voorzien in de nodige bijvoegsels bij het levensverzekeringscontract.
  • Indien er meerdere zaakvoerders zijn, hebben zij elk afzonderlijk volheid van bevoegdheid en kunnen zij dus elk afzonderlijk beheren, beschikken, besturen en vertegenwoordigen.
  • Algemene vergadering

    • Gewone algemene vergadering

      • Goedkeuring jaarrekening
      • Gewone meerderheid van stemmen
        • Indien de eigenaar van het deel niet zelf het stemrecht uitoefent, wordt de stem verbonden aan dat deel exclusief uitgeoefend door de persoon die het stemrecht van de delen mag en kan uitoefenen
      • Winstuitkering
        • Op voorstel van de zaakvoerder beslist de gewone algemene vergadering over winstuitkering of reservering
    • Buitengewone algemene vergadering
      • Wijziging Statuten, onder meer ontbinding maatschap, vervanging statutaire zaakvoerder, kapitaalvermindering
      • Unanimiteit van stemmen
        • Indien de eigenaar van het deel niet zelf het stemrecht op dat deel uitoefent, dan dient zowel de eigenaar van het deel als diegene die het stemrecht mag/kan uitoefenen in te stemmen
  • Uittreding vennoten
    • Geen recht op uittreding behoudens akkoord van de statutaire zaakvoerder

d. Voorwaarden, lasten en modaliteiten verbonden aan de schenkingen

23. Een kopie van de pactes adjoints aangaande de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010 alsook van de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014 aangaande de schenking van de delen van de maatschap B werd voorgelegd. Zoals eerder sub a. in fine aangestipt, was als last van deze laatste schenking bedongen dat alle aan deze schenking verbonden voorwaarden, lasten en modaliteiten ook zouden gelden ten aanzien van de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010. De voorwaarden, lasten en modaliteiten gekoppeld aan de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010 werden aldus vervangen door de voorwaarden, lasten en modaliteiten gekoppeld aan de schenking van de delen in de maatschap B, zodoende dat sinds xx.xx.2014 dezelfde voorwaarden, lasten en modaliteiten gelden ten aanzien van zowel de delen in de maatschap B als de delen in de maatschap A (die door zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de vermogensbestanddelen die het voorwerp uitmaakten van de onrechtstreekse schenkingen gedaan in 2010 en vervolgens werden geïnvesteerd in een levensverzekeringscontract).

24. Het betreft meer bepaald volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten die aldus zijn gekoppeld aan de schenking verricht in 2014 en de onrechtstreekse schenkingen verricht in 2010:

  • Last tot afstand van een rente

    • Optionele rente van maximaal 4% van de waarde van de geschonken delen op datum van de schenking / waarde op het einde van elk jaar
    • Voorafnames mogelijk
    • Dient te worden opgevraagd door de schenkers aan de begiftigden. Indien de rente niet tijdig wordt opgevraagd, kan geen uitvoering meer worden gevraagd van de last voor het betrokken kalenderjaar
    • De last zal bij vooroverlijden van de eerststervende van de heer “de vader” en mevrouw “de moeder” en tot het ogenblik de langstlevende komt te overlijden, worden verminderd tot jaarlijks maximaal 1,5 %. Bij overlijden van de langstlevende komt de last te vervallen
    • De schenkers verbinden zich ertoe om het nodige te doen om, indien de begiftigden dit wensen, deze last te voldoen vanuit het door de maatschap aangehouden vermogen
    • In de mate de last niet wordt gerespecteerd door de begiftigden kan de herroeping van de schenking worden gevorderd
  • Voorbehoud van stemrecht
    • “de vader” oefent levenslang, onherroepelijk en exclusief het stemrecht uit verbonden aan de volgende delen:
      • De delen van de maatschap B met nummers 1 tot en met 1536
      • De delen van de maatschap A met nummers 1 tot en met 860 en 1721 tot en met 2560
    • Mevrouw “de moeder” oefent levenslang, onherroepelijk en exclusief het stemrecht uit verbonden aan de volgende delen:
      • De delen van de maatschap B met nummers 1537 tot en met 3072 
      • De delen van de maatschap A met nummers 861 tot en met 1720 en met nummers 2561 tot en met 3440
    • Een zelfde last tot uitoefening van het stemrecht wordt gekoppeld aan de delen met nummers 3073 en 3074 van de maatschap B, dewelke eigendom zijn van de begiftigden
    • In geval van vooroverlijden van hetzij de heer “de vader” hetzij mevrouw “de moeder”, oefent de ander levenslang, onherroepelijk en exclusief het stemrecht uit voor het geheel van de delen (meer bepaald de delen met nummers 1 tot en met 3074 van de maatschap B en de delen met nummers 1 tot en met 3440 van de maatschap A)
  • Optioneel ontbindende voorwaarde van vooroverlijden

    • De schenkers hebben de keuze of zij de bedongen terugkeer ingeval van vooroverlijden van een begiftigde al dan niet zullen inroepen
  • Fideïcommis de residuo
    • In de mate de ontbindende voorwaarde van vooroverlijden geen uitwerking heeft gekregen, zal hetgeen overblijft van wat aan de kinderen is geschonken of ervoor in de plaats is gekomen, fideïcommissair toekomen aan de kleinkinderen
  • Last inzake nieuwe kinderen
    • Aan de kleinkinderen wordt de last opgelegd een deel van het vermogen over te dragen aan kinderen van hun ouders die nog niet zijn vermeld in de schenkingsakte
  • Uitsluiting vruchtgenot

    • De ouders van de begiftigden-verwachters worden van het ouderlijk vruchtgenot uitgesloten over hetgeen aan de begiftigden-verwachters wordt geschonken
  • Vervreemdingsverbod
    • De begiftigden mogen de geschonken delen niet vervreemden tijdens het leven van de schenkers, behoudens voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de schenkers.
  • Uitsluitingsclausule
    • De begiftigden mogen al hetgeen aan hen toekomt via de schenking tijdens het leven van de schenkers niet inbrengen in een huwgemeenschap/geregistreerd partnerschap, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de schenkers.
  • Schenking gedaan als voorschot op erfdeel.
  • Naar de inhoud is het Belgische recht van toepassing, naar de vorm het Nederlandse recht, terwijl de eventuele geschillen voortvloeiende uit de schenkingsovereenkomst tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken behoren.

25. Het gevolg van de schenkingen verricht in 2010 en deze verricht in 2014 en de voorwaarden, modaliteiten en lasten verbonden aan deze schenkingen, is dat de dochter en de zoon elk 1720 delen van de maatschap A en 1537 delen van de maatschap B in volle eigendom aanhouden, zonder stemrecht. De heer en mevrouw “de vader - de moeder” hebben geen delen meer, enkel nog het stemrecht op de 3440 delen van de maatschap A en op de 3074 delen van de maatschap B.

II.B.2. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen

26. De aanvrager wenst aanpassingen en verduidelijkingen te doen aan de statuten van zowel de maatschap A als aan de statuten van de maatschap B en de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014 (waarbij de voorwaarden, modaliteiten en lasten uit deze schenking op heden van toepassing zijn op de delen van de maatschap B geschonken in 2014 door het echtpaar “de vader - de moeder” aan hun kinderen,  alsook op de delen van de maatschap A die ingevolge zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de door het echtpaar “de vader - de moeder” aan hun kinderen in 2010 geschonken vermogensbestanddelen). De aanpassing aan de schenkingsakte zal gebeuren bij akte te verlijden voor Belgische notaris, waarbij derhalve schenkbelasting zal worden betaald op de werkelijke waarde van de maatschappen B en A op dat moment. Het is tevens de bedoeling dat de maatschap A, na de beschreven aanpassingen en verduidelijkingen, de bestaande levensverzekeringscontracten, te weten levensverzekeringcontract met nummer […] levensverzekeringcontract met nummer […] beiden afgesloten bij […] (Luxemburg) […], afkoopt en de tegoeden herinvesteert in één of meerdere nieuwe levensverzekeringscontracten.

a. Aanpassingen aan de Statuten van de maatschappen A en B

27. De aanvrager wenst de volgende aanpassingen te doen aan de statuten van de maatschappen A en B, via een bijeenkomst van de buitengewone algemene vergadering, die zal beslissen tot de wijziging van de hierna vermelde artikelen van de statuten:

1. Aanpassing van artikel 8.2 en artikel 9: afzwakken van de bevoegdheden van de schenkers/zaakvoerders tot loutere daden van beheer over de activa die de maatschap aanhoudt:

Artikel 8 : Zaakvoerder

Omschrijving van het mandaat

De zaakvoerder is, met uitsluiting van de vennoten van de Maatschap, gerechtigd om alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen, alsook met betrekking tot de vermogensbestanddelen die in de plaats komen van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen door belegging, wederbelegging of zaakvervanging, alsook met betrekking tot alle toekomstige interesten, vruchten en opbrengsten, hoe ook genoemd, van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen en/of wat daarvoor in de plaats is gekomen, die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de Maatschap, hierbij optredend in naam en voor rekening van alle vennoten van de Maatschap.

Onder daden van beheer dient concreet onder meer te worden begrepen het nemen van beslissingen en het stellen van vertegenwoordigingshandelingen inzake:

  • het beleggen en herbeleggen van de door de Maatschap op rekening of in het kader van een beleggingsportefeuille aangehouden activa (dewelke hierbij uitdrukkelijk als een feitelijke algemeenheid worden aangemerkt) en het voeren van alle communicatie ter zake met de bank of vermogensbeheerder. Hieronder wordt uitdrukkelijk ook begrepen de beslissingen om deze activa naar een andere bank of vermogensbeheerder over te brengen en de beslissingen aangaande het beleggingsprofiel omtrent alle of een deel van deze activa, inclusief de beslissingen om het beleggingsprofiel te wijzigen;
  • het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan aandelen die door de Maatschap worden aangehouden, althans indien het gaat om gewone algemene vergaderingen van een vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt. Hieronder wordt dus uitdrukkelijk niet begrepen het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan aandelen die door de Maatschap worden aangehouden indien het gaat om buitengewone en bijzondere algemene vergaderingen van een vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt;
  • het innen van interesten, opbrengsten en vruchten met betrekking tot het door de Maatschap aangehouden vermogen;
  • het doorstorten van activa van de Maatschap, wanneer er overeenkomstig artikel 11 of 12 van deze Statuten tot uitkering werd beslist;
  • het vervullen van alle louter administratieve verplichtingen die gepaard gaan met de Maatschap en het door de Maatschap aangehouden vermogen;
  • het wijzigen van het beleggingsprofiel van een door de Maatschap afgesloten verzekeringscontract en het doen van een afkoop/afkopen van een levensverzekeringscontract aangehouden door de Maatschap, althans indien dit kadert binnen een rentelast verbonden aan de schenking van de aandelen van de Maatschap en waarbij het bedrag van de afkoop/afkopen op jaarbasis in totaliteit niet meer mag bedragen dan de effectieve opname van de in de schenkingsakte voorziene rentelast. Wordt in dit verband echter niet als een daad van beheer aangemerkt (maar dus als een daad van beschikking) het onderschrijven van een levensverzekeringscontract en het uitoefenen van alle overige rechten verbonden aan een verzekeringscontract aangehouden door de Maatschap, inclusief beslissingen aangaande de aanduiding van de begunstigde (die evident slechts de Maatschap zelf kan zijn).

De zaakvoerder is daarentegen niet gerechtigd om beslissingen te nemen inzake daden van beschikking, waaronder onder meer dient te worden begrepen het stellen van rechtshandelingen waardoor de activa aangehouden door de Maatschap verdwijnen en/of de bestemming ervan wordt gewijzigd, zoals het bezwaren, verkopen of ruilen van de activa aangehouden door de Maatschap (behalve indien dit beleggen en/of herbeleggen betreft binnen het kader van het hoger voormelde beheer van een rekening of beleggingsportefeuille als feitelijke algemeenheid). Iedere daad van beschikking dient door de algemene vergadering van de Maatschap te worden goedgekeurd, bij besluit genomen door de buitengewone algemene vergadering overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten.

De zaakvoerder is wel gerechtigd om alleen vertegenwoordigingshandelingen te stellen tot uitvoering van een aldus door de buitengewone algemene vergadering genomen beslissing inzake een daad van beschikking.

De zaakvoerder is evenwel niet gerechtigd om alleen vertegenwoordigingshandelingen te stellen tot uitvoering van een door de buitengewone algemene vergadering genomen beslissing omtrent het afsluiten van een levensverzekeringscontract en omtrent de aanduiding van de begunstigde van een levensverzekeringscontract (die slechts de Maatschap zelf kan zijn). Vertegenwoordigingshandelingen aangaande dergelijke beslissingen dienen door alle vennoten gezamenlijk te worden gesteld.

Indien er redelijke twijfel bestaat over de kwalificatie van bepaalde daden als daad van beheer dan wel als daad van beschikking, dan dienen deze daden als daad van beschikking te worden aangemerkt. Indien één van de vennoten of de zaakvoerder van oordeel is dat er geen redelijke twijfel kan bestaan over deze kwalificatie, dan dient hierover te worden geoordeeld door de arbiter als bepaald in artikel 27 van deze Statuten.

Indien er meerdere zaakvoerders zijn, zijn zij elk afzonderlijk bevoegd om de hierboven beschreven bevoegdheden uit te oefenen.

Het mandaat van zaakvoerder is onbezoldigd. De buitengewone algemene vergadering kan overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten beslissen om het mandaat van de zaakvoerder te bezoldigen.

De aanstelling als zaakvoerder is intuitu personae en geschiedt zoals voorzien in artikel 8.3 van deze Statuten.

Artikel 9 : Relatie bank, financiële instelling en/of vermogensbeheerder

Aan de zaakvoerder wordt door de vennoten volmacht verleend om, met uitsluiting van de vennoten, alle communicatie met de bank en/of financiële instelling en/of de vermogensbeheerder en/of de verzekeringsmaatschappij te voeren. 

2. Aanpassing artikelen inzake algemene vergadering (artikelen 10, 11, 12), zodanig dat wordt verduidelijkt welke vergadering voor welke beslissing bevoegd is en tevens zodanig dat de buitengewone algemene vergadering eveneens dient te beslissen over daden van beschikking zoals in het nieuwe artikel 8 omschreven:

Artikel 10 : Algemene principes

Minstens éénmaal per jaar vindt een gewone algemene vergadering van de vennoten plaats op de zetel van de Maatschap, bijeengeroepen door de zaakvoerder. Deze jaarlijkse vergadering vindt plaats in de loop van de maand juni. De vergadering kan verdaagd worden met maximum één maand door beslissing van de zaakvoerder.

De zaakvoerder roept een buitengewone algemene vergadering bijeen telkens hij/zij dit noodzakelijk acht of hiertoe wordt verzocht door een vennoot of een stemgerechtigde.

De gewone en buitengewone algemene vergadering wordt bijeengeroepen door de zaakvoerder, per brief die minstens 10 dagen vóór datum van de algemene vergadering dient te worden verstuurd aan de vennoten en stemgerechtigden, met vermelding van de plaats, de datum, het uur en de agenda en in geval het een gewone algemene vergadering betreft met in bijlage het ontwerp van de jaarrekening. Indien alle vennoten en stemgerechtigden ter vergadering (al dan niet persoonlijk) aanwezig zijn en hiermee ter vergadering unaniem instemmen, kan van de vereisten en de formaliteiten van oproeping zoals hierboven beschreven, worden afgeweken.

De gewone algemene vergadering is uitsluitend bevoegd voor de goedkeuring van de jaarrekening, de winstbestemming alsook het verlenen van kwijting aan de zaakvoerder.

De buitengewone algemene vergadering beslist over alle zaken die door deze Statuten niet uitdrukkelijk aan de gewone algemene vergadering of aan de zaakvoerder zijn toegewezen (daaronder onder meer begrepen beslissingen inzake daden van beschikking zoals omschreven in artikel 8 van deze Statuten alsook beslissingen tot wijziging van deze Statuten (waaronder onder meer wordt begrepen de ontbinding van de Maatschap, een bijkomende inbreng, een vervanging van de zaakvoerder en een kapitaalvermindering)).

De vennoten en stemgerechtigden kunnen zich laten vertegenwoordigen door een andere vennoot/stemgerechtigde mits schriftelijke volmacht, desgevallend gegeven via fax of e-mail. Zij kunnen hun stem ook schriftelijk uitbrengen.

De vennoten en stemgerechtigden kunnen éénparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de gewone of buitengewone algemene vergadering behoren. De zaakvoerder stelt een uiterlijke datum van ondertekening van de schriftelijke besluiten vast. Schriftelijke besluiten worden enkel geacht éénparig te zijn goedgekeurd, indien alle vennoten en stemgerechtigden de besluiten integraal en tijdig hebben ondertekend en de vennoten/stemgerechtigden die schriftelijke besluiten hebben ondertekend, zijn enkel dan gehouden door hun schriftelijke stem. Schriftelijke besluiten worden geacht genomen te zijn op de datum van de laatste handtekening.

Artikel 11 : Stemrecht op de gewone algemene vergadering

Alle aandelen geven recht op één stem. Indien er aandelen zijn waarvan het stemrecht dient te worden uitgeoefend door een andere persoon dan de vennoot (vb. ingevolge een clausule voorbehoud van stemrecht gekoppeld aan een schenking), is het uitsluitend deze andere persoon die het stemrecht over de betreffende aandelen kan uitoefenen.

Alle besluiten dienen met unanimiteit van stemmen te worden genomen.

De aandelen zijn ondeelbaar. Wanneer meerdere personen eigenaar zijn van één deel of wanneer een deel in pand werd gegeven, is de uitoefening van de rechten verbonden aan dat deel geschorst, totdat één persoon aangewezen wordt als de vertegenwoordiger die het stemrecht zal uitoefenen.

Indien het eigendomsrecht over de aandelen is gesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom verkrijgt de vruchtgebruiker de stemrechten verbonden aan de betreffende aandelen.

Artikel 12 : Stemrecht op de buitengewone algemene vergadering

Alle aandelen geven recht op één stem. Indien er aandelen zijn waarvan het stemrecht dient te worden uitgeoefend door een andere persoon dan de vennoot (vb. ingevolge een clausule voorbehoud van stemrecht gekoppeld aan een schenking), is het uitsluitend deze andere persoon die het stemrecht over de betreffende aandelen kan uitoefenen.

Alle besluiten dienen met unanimiteit van stemmen te worden genomen.

De aandelen zijn ondeelbaar. Wanneer meerdere personen eigenaar zijn van één deel of wanneer een deel in pand werd gegeven, is de uitoefening van de rechten verbonden aan dat deel geschorst, totdat één persoon aangewezen wordt als de vertegenwoordiger die het stemrecht zal uitoefenen.

Indien het eigendomsrecht over de aandelen is gesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom dient zowel de vruchtgebruiker als de blote eigenaar met het besluit in te stemmen opdat dit zou kunnen worden aangenomen.

3. Verder zou van de gelegenheid gebruik worden gemaakt om de huidige artikelen 16 (inkomstenverdeling), 23 (uittreding) en 24 (uitsluiting) van de Statuten van de maatschappen A en B als volgt aan te passen:

Artikel 16 : Inkomstenverdeling

De gewone algemene vergadering beslist jaarlijks, op verplicht voorstel van de zaakvoerder, dat de winstuitkering minstens gelijk is aan het totaalbedrag van de eventuele belastingen (personenbelasting, vermogensbelasting, gemeentebelasting, taks op de effectenrekeningen…) die door alle vennoten gezamenlijk over het afgelopen boekjaar persoonlijk (en dus niet bv. bij wijze van afhouding van bevrijdende roerende voorheffingen) dient te worden voldaan ingevolge het in de Maatschap aangehouden vermogen en dit op een zodanige wijze dat elke vennoot afzonderlijk met de aan hem/haar aldus toekomende winstuitkering in staat is alle belastingen te voldoen die door hem/haar persoonlijk verschuldigd zijn inzake het door de Maatschap aangehouden vermogen. Indien er onvoldoende winst hiertoe zou zijn, beslist een buitengewone algemene vergadering tot een kapitaalvermindering voor het surplus.

Op voorstel van de zaakvoerder beslist de jaarlijkse gewone algemene vergadering over de resterende winstuitkering of reservering. Onder de resterende winstuitkering wordt begrepen, de winstuitkering boven de minimumuitkering om belastingen te voldoen zoals in de vorige alinea beschreven.

Elke winstuitkering aan de vennoten geschiedt in verhouding tot hun aandelen in de Maatschap.

Van winst die door de vennoten wordt opgenomen, kan geen sprake zijn zolang alle in het verleden geleden verliezen niet eerst volledig zijn aangezuiverd, evenwel met uitzondering van de minimumuitkering om belastingen te voldoen zoals hierboven in de eerste alinea beschreven.

Artikel 23 : Uittreding

Tijdens de duur van de Maatschap (zoals bepaald in artikel 4) heeft geen enkele vennoot het recht om uit de Maatschap te treden behoudens mits goedkeuring van de algemene vergadering van de Maatschap, genomen bij besluit van de buitengewone algemene vergadering overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten.

De kandidaat-uittreder dient de overige vennoten, de stemgerechtigden en de zaakvoerder in kennis te stellen van zijn wens uit de Maatschap te treden, bij middel van aangetekend schrijven.

In geval van uittreding zal de betrokken vennoot, overeenkomstig het besluit van de buitengewone algemene vergadering, ofwel (i) verplicht zijn om zijn deel in de Maatschap over te dragen aan de overige vennoten, ofwel (ii) zijn scheidingsdeel te ontvangen vanuit het in de Maatschap aangehouden onverdeeld vermogen.

De waarde van het scheidingsdeel of de prijs te betalen door de overige vennoten wordt bepaald op grond van de laatste jaarrekening vóór de uittreding opgesteld overeenkomstig artikel 15 van deze Statuten.

In geen enkel geval van uittreding van een vennoot, heeft dit de ontbinding van de Maatschap tot gevolg.

De kosten die veroorzaakt worden door de uittreding zullen ten laste komen van de uittredende vennoot.

Artikel 24 : Uitsluiting

Iedere vennoot die geen zaakvoerder is, kan om een gegronde reden uit de Maatschap worden gesloten.

Het verzoek tot uitsluiting kan op de agenda van de buitengewone algemene vergadering worden geplaatst door de zaakvoerder. Het besluit wordt door de buitengewone algemene vergadering genomen op de wijze zoals voorzien in artikel 12 van deze Statuten; de uit te sluiten vennoot heeft echter geen stemrecht.

De vennoot wiens uitsluiting wordt gevraagd, wordt verzocht zijn opmerkingen schriftelijk te kennen te geven aan de algemene vergadering, binnen één maand nadat een aangetekende brief met het met redenen omklede voorstel tot uitsluiting aan hem/haar is verzonden. Indien hij/zij daarom verzoekt in een geschrift dat zijn/haar opmerkingen bevat, moet de betrokken vennoot worden gehoord.

Elk besluit tot uitsluiting wordt met redenen omkleed, en wordt vastgesteld in een afzonderlijk proces-verbaal dat wordt opgemaakt door de zaakvoerder en ondertekend door alle vennoten en stemgerechtigden, de uitgesloten vennoot uitgezonderd. Dit proces-verbaal vermeldt de feiten waarop de uitsluiting is gebaseerd.

De uitsluiting wordt overgeschreven in het aandelenregister. Een eensluidend afschrift van het besluit wordt binnen vijftien dagen, bij een ter post aangetekende brief, aan de uitgesloten vennoot toegezonden.

De uitgesloten vennoot zal als scheidingsdeel het laagste bedrag ontvangen van de waarde van zijn/haar aandelen op datum van de oprichting van de Maatschap en de waarde van zijn/haar aandelen op de dag van het besluit tot uitsluiting genomen door de buitengewone algemene vergadering.

28. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruikt gemaakt om de statuten op een aantal andere (volgens aanvrager in het kader van deze aanvraag niet belangrijke) punten beperkt te wijzigen en te actualiseren (o.a. nieuwe verwijzingen naar artikels ingevolge voormelde aanpassingen, …). Een ontwerp van buitengewone algemene vergadering van de beide maatschappen werd voorgelegd, alsook een versie van de Statuten waarin in track changes alle (dus ook deze kleinere en volgens aanvrager in dit kader niet relevante) wijzigingen zijn aangeduid.

De aangepaste en gecoördineerde Statuten van de maatschappen A en B zullen, samen met de aangepaste schenkingsakte waarvan een ontwerp werd voorgelegd (zie hierna sub B.), ter registratie worden aangeboden.

b. Aanpassingen/verduidelijkingen aan de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014

29. Daarnaast zou de aanvrager ook enkele aanpassingen/verduidelijkingen wensen te doen aan de modaliteiten van de schenkingsakte van xx.xx.2014 en dit via een voor Belgische notaris verleden notariële akte tot wijziging van de modaliteiten van de schenking waarbij tevens 3%[1] schenkbelasting zal worden betaald op de huidige waarde van de geschonken delen[2] van de maatschap B die bij de schenkingsakte van xx.xx.2014 werden geschonken door de echtgenoten “de vader - de moeder” aan hun kinderen, alsook de huidige waarde van de delen[3] van de maatschap A die door zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de vermogensbestanddelen die in 2010 via onrechtstreekse schenking aan de kinderen werden geschonken en vervolgens door hen in levensverzekeringscontracten werden geïnvesteerd:

a. Verduidelijking artikel 1 “Last tot afstand van een rente” door een nieuwe alinea c. toe te voegen (de bestaande punten c. en d. worden dan d. en e.):

“c. De uitoefening van deze last kan uiteraard nooit tot gevolg hebben dat de Begiftigden meer dienen af te staan dan zij geschonken hebben gekregen. Dit dient aldus te worden geïnterpreteerd en gelezen dat de mogelijkheid tot het opvragen van achtereenvolgende rentes in hoofde van de Schenkers of van de langstlevende van hen, vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat er geen duidelijke schenking meer voorligt. Het opvragen van de achtereenvolgende rentes dient derhalve uiteraard steeds (in álle omstandigheden) aldus te gebeuren dat er een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers) en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden. Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen Partijen hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het opvragen of opnemen van de achtereenvolgende rentes ertoe leidt dat aan de Begiftigden meer zou kunnen worden gevraagd dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zijnde twee miljoen negenhonderdnegentienduizend vijfhonderdnegenenveertig euro zes eurocent (2.919.549,6) voor wat betreft de Aandelen II en drie miljoen éénenzeventigduizend zeshonderdachtennegentig euro negenentachtig eurocent (3.071.698,89) voor wat betreft de Aandelen I. In de mate de Begiftigden op een bepaald ogenblik van opvraging of opname niet minstens 40% van de totale waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenkingen, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 60% van de totale waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenking, zoals vermeld, opgevraagd aan de Begiftigden. Vanaf het ogenblik dat de Begiftigden wel minstens 40% van de totale waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers, of de langstlevende van hen, opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit meer dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenking, zoals vermeld, kunnen opvragen aan de Begiftigden”.

b. Integrale opheffing en vervanging van artikel 2 “Voorbehoud van stemrecht” door volgende bepaling:

“De schenking wordt gedaan onder voorbehoud van stemrecht op twee (2) Aandelen I, te weten de aandelen met nrs. 1536 en 1537, en twee (2) Aandelen II, te weten de aandelen met nrs. 1720 en 1721, en zodoende dus onder de last dat de Schenkers (de heer “de vader” voor wat betreft het aandeel 1537 van de Aandelen I en het aandeel 1720 van de Aandelen II; en mevrouw “de moeder” voor wat betreft het aandeel 1536 van de Aandelen I en het aandeel 1721 van de Aandelen II) exclusief (en tevens met uitsluiting van de Begiftigden zelf), onherroepelijk en levenslang het stemrecht zullen uitoefenen verbonden aan de voormelde aandelen met nrs. 1536 en 1537 van de Aandelen I en de aandelen met nrs. 1720 en 1721 van de Aandelen II alsook op hetgeen al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging ervoor in de plaats zou komen.”

c. Aanpassing artikel “Ontbindende voorwaarde van vooroverlijden” (artikel 3 van de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014), door schrapping van volgende zinsnede op het einde van het artikel:

“met dien verstande dat deze tegenwaarde nooit lager kan zijn dan de waarde van de bij deze schenking geschonken Delen, zoals deze blijkt uit de hierna vermelde waardebepaling, of dan de waarde van de voor de Delen in de plaats gekomen roerende goederen die zijn gebruikt voor de verwerving of financiering van het onroerend goed.”

d. Aanvulling artikels “Vervreemdingsverbod” en “Uitsluitingsclausule” (artikels 7 en 8 van de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014) met volgende zin op het einde van elk artikel:

“Indien de duur van dit verbod de wettelijk toegelaten duur zou overschrijden, wordt de duur verkort tot maximaal de door het recht toegelaten duur.”

e. Integrale schrapping artikel 10 “Volmacht”, vermits de akte inhoudende de beschreven aanpassingen/verduidelijkingen voor Belgische notaris zal worden verleden met betaling van 3% schenkbelasting (cf. infra).

f. Opname van algemene bepalingen en clausule omtrent een eventuele nietigheid:

Niet-uitvoering lasten verbonden aan de schenkingen
De Schenkers bedingen uitdrukkelijk dat de, ook slechts gedeeltelijke, niet-naleving van de lasten opgenomen in onderhavige schenkingsakte, hetzij door de Begiftigden zelf, hetzij door hun rechtsopvolger(s) de herroeping van onderhavige schenkingen tot gevolg kan hebben zoals voorzien in de artikelen 953 en 954 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek. Voor het overige zijn alle gronden tot herroeping van schenkingen, zoals voorzien in het Belgisch Burgerlijk Wetboek, onverminderd van toepassing.

Zaakvervangingsclausule
Deze schenking en meer bepaald alle modaliteiten, voorwaarden en lasten gekoppeld aan deze schenking zullen tevens betrekking hebben op de goederen en/of rechten die, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zullen komen van hetgeen werd geschonken.

Nietigheid
De eventuele nietigheid van een gedeelte, een bepaling of een term van onderhavige schenking, heeft niet de nietigheid tot gevolg van de gehele overeenkomst. De gebeurlijk nietige bepaling(en) zal/zullen in dat geval vervangen worden door (een) geldige bepaling(en) die het dichtst mogelijk de bedoeling van partijen benadert.”

Het ontwerp van de voor Belgische notaris te verlijden akte wordt voorgelegd.

c. Afkoop van de levensverzekeringscontracten door A en herinvestering van tegoeden

30. Het is de bedoeling dat beide levensverzekeringcontracten die in 2009 door de dochter en de zoon werden onderschreven en nadien, in 2014, door hen werden ingebracht in de maatschap A, op korte termijn doch na uitvoering van de aanpassingen en verduidelijkingen beschreven sub 2. A. en B., integraal worden afgekocht. Het betreft, ter herinnering, de levensverzekeringscontracten met nummers […] afgesloten bij […] (Luxemburg) […].

31. Het is tevens de bedoeling dat de tegoeden, vervolgens, integraal worden geherinvesteerd in één of meerdere nieuwe levensverzekeringscontracten, allicht aan te gaan via een Belgische vestiging van de Luxemburgse verzekeringsmaatschappij […].

32. De vereiste vennootschapsrechtelijke beslissingen tot afkoop van de bestaande levensverzekeringscontracten en herinvestering, daarin begrepen het onderschrijven van een nieuwe polis en tot het aanduiden van de begunstigden van de nieuwe polis, zullen worden genomen door de buitengewone algemene vergadering van de maatschap A en dit conform de tekst van de nieuw aangenomen statuten van de maatschap (zie hierboven sub 2. A. en meer bepaald artikel 8 en artikel 12; zie ook reeds de voorgelegde ontwerpen). De facto worden deze beslissingen dus genomen door de schenkers en de begiftigden gezamenlijk bij unanimiteit. Tevens zullen ook de vertegenwoordigingshandelingen ter uitvoering van deze beslissingen door alle deelgenoten gezamenlijk dienen te worden genomen (zie artikel 8.2 vijfde alinea van de nieuw aangenomen statuten). Als verzekeringnemer en als begunstigde van de nieuw af te sluiten verzekeringscontracten zal uiteraard (conform het bepaalde in het nieuwe artikel 3 eerste alinea in fine van de statuten, die dit voor zoveel als nodig voorschrijven) de maatschap worden aangeduid, dit zijn - bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid - de vennoten van de maatschap in verhouding tot hun deelgerechtigdheden. Als verzekerd hoofd zullen allicht de ouders of één van hen worden aangeduid, al lijkt ons dit verder van geen belang te zijn voor het antwoord op onderstaande vraagstellingen.

 [TOP]

III. Motivering van de aanvraag

VRAAG 1: IS ART. 2.7.1.0.7 VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Toepassingsgebied art. 2.7.1.0.7 VCF

33. Art. 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing:

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

34. Art. 2.7.1.0.7 VCF viseert (onder meer) gesplitste inschrijvingen in vruchtgebruik – blote eigendom. De schenkingen d.d. 2010 en 2014 van de echtgenoten “de vader - de moeder” aan hun kinderen werden gedaan in volle eigendom en niet met voorbehoud van vruchtgebruik in hoofde van de schenkers. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een gesplitste inschrijving in vruchtgebruik – blote eigendom van de geschonken goederen, waardoor art. 2.7.1.0.7 VCF op zich genomen niet van toepassing is.

In combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF

35. Ook in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF lijkt aanvrager art. 2.7.1.0.7 VCF niet van toepassing te zijn.

36. Op de schenkingen verricht in 2010 is deze bepaling in geen geval van toepassing, alleen al vermits zij hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2012.

37. Er is fiscaal misbruik voorhanden wanneer de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van de fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst. In zijn arrest van xx.xx.2013 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat om de doelstellingen van een fiscale bepaling te achterhalen rekening moet worden gehouden met de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan het misbruik wordt aangevoerd. Het Grondwettelijk Hof oordeelt ook dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan.

38. Ook de Minister van Financiën heeft in het kader van de gesplitste aankoop gemeld dat de algemene antimisbruikbepaling niet meer speelt als er een specifieke antimisbruikbepaling van toepassing is: “Artikel 9 van het Wetboek Successierechten is op zich reeds een antimisbruikbepaling wat ertoe geleid heeft dat de gesplitste aankoop niet meer opgenomen is in de lijst van verrichtingen waarop de nieuwe antimisbruikbepaling van toepassing kan zijn[4].”

39. De doelstelling van art. 2.7.1.0.7 VCF bestaat erin te vermijden dat erfbelasting zou worden ontweken door de blote eigendom rechtstreeks te doen inschrijven op naam van diegene die men bij zijn overlijden wil begiftigen. De zogenaamde “bedekte bevoordeling” wordt geviseerd, met name wanneer er sprake is van bedrog door de bevoordeling niet openlijk te kennen te geven. Dit blijkt duidelijk uit de wettekst: “tenzij het bewezen wordt dat de verkrijging of de inschrijving niet een bedekte bevoordeling ten behoeve van de derde is”. Wanneer een tekstuele interpretatie toelaat om de tekst te begrijpen, mag men niet overgaan naar de tweede fase van de interpretatie waarbij dan de bedoeling van de wetgever wordt opgespoord. De doelstelling van een fiscale bepaling is duidelijk en vervat in de bepaling zelf[5], hetgeen ook het geval is voor art. 2.7.1.0.7 VCF.

40. Enkel wanneer de tekstuele interpretatie geen heil brengt moet gezocht worden naar de bedoeling van de wetgever. Deze bedoeling moet gezocht worden in de voorbereidende werken van de wet zelf en uitzonderlijk in de voorbereidende werken van vroegere of gelijkaardige wetten[6].

41. Ook uit de Memorie van Toelichting van 1919 blijkt dat de doelstelling erin bestaat “bedekte bevoordelingen” te viseren: “…, zijn bepalingen tot voorkoming van bedrog[7]. Zij hebben de strekking te beletten dat de overledene bij zijn leven niet over zijne goederen beschikke ten voordeele van personen, wien hij wenscht zijne nalatenschap over te maken en zulks vrij van alle belasting of door betaling van een registratierecht minder dan het erfenisrecht dat normaal opvorderbaar zou wezen”.

42. Ook met het voorbeeld dat gegeven wordt in de Memorie van Toelichting komt diezelfde doelstelling naar voren: “Een vader belegt geld, in zijnen naam voor het vruchtgebruik en in naam van zijn kind voor den blooten eigendom, hetzij in inschrijvingen op naam, hetzij in hypothecaire of andere schuldvorderingen, hetzij in onroerend goed aankoopen. Het geld wordt door den vader verschaft; en bij diens dood wordt het kind volle eigenaar zonder een centiem belasting te betalen”[8]. Uit dit voorbeeld volgt duidelijk dat de bedekking/het bedrog in de gesplitste inschrijving zelf dient te zitten. Dit wordt reeds sinds jaar en dag aangenomen, zie bijvoorbeeld M. Donnay: “Ainsi, l’article 9 n’est pas applicable si l’acquisition par le défunt pour l’usufruit et par son héritier pour la nue-propriété procède d’une donation ou d’une succession… Dans ces cas, il n’y a pas de fraude (sous la forme d’une libéralité déguisée), puisque l’opération elle-même se présente sous le caractère de libéralité.[9]” en “Artikel 9 mag niet toegepast worden indien er bewezen wordt dat de effecten of fondsen die ingeschreven of gedeponeerd werden op naam van de overledene voor het vruchtgebruik en op naam van zijn erfgenaam voor de blote eigendom, hun in die verhouding toebehoorden daar zij het voorwerp hadden uitgemaakt van een vroegere schenking door de overledene aan zijn erfgenaam onder voorbehoud van vruchtgebruik, hetzij bij geregistreerde akte, hetzij bij niet-geregistreerde akte. Doch het spreekt vanzelf dat, in deze laatste onderstelling, het successierecht bij toepassing van artikel 7 van het wetboek op de geschonken goederen verschuldigd is, indien de schenking plaatsgreep binnen de 3 jaren voor het overlijden[10]”.

43. In casu is er geen sprake van een gesplitste inschrijving in vruchtgebruik – blote eigendom, laat staan van een bedekte bevoordeling in het kader van een gesplitste inschrijving. Er werd dus helemaal niet in strijd met (de doelstelling van) art. 2.7.1.0.7 VCF gehandeld.

44. Wel werd er in de schenkingsakte van xx.xx.2014 voorzien in een last tot afstand van een rente en een voorbehoud van beheer/stemrecht, maar deze zijn geenszins gelijk te stellen met een vruchtgebruik. Door deze rente en het controlevoorbehoud beschikken de schenkers slechts over een persoonlijk recht en niet over een zakenrechtelijk recht van vruchtgebruik op de geschonken vermogensbestanddelen (te weten: de delen van de maatschap B).

45. Verder voldoet de voorziene rente volledig aan de vereiste die werd gesteld in de Voorafgaande Beslissing nr. 16046 d.d. 14 november 2016. Er is immers voldaan aan de vereiste dat de rente vast moet zijn en niet zo mag geformuleerd worden dat het gelijkstaat met een vruchtgebruik. In casu staat de rente vast. Deze bedraagt elk jaar maximaal 4%, te herleiden naar maximaal 1,5 % wanneer één van de schenkers overlijdt, en is derhalve onafhankelijk van de vruchten die het geschonken vermogen heeft opgebracht in het betrokken kalenderjaar.

46. Ook het feit dat de schenking is gebeurd met voorbehoud van beheer/stemrecht in hoofde van de schenkers, doet geen afbreuk aan het feit dat er geen schenking werd gedaan met een voorbehoud van vruchtgebruik. Over het stemrecht beschikken van de delen van de maatschap is immers geenszins gelijk te stellen met een zakenrechtelijk recht van vruchtgebruik op deze delen.

47. Aangezien er geen sprake is van een gesplitste inschrijving vruchtgebruik – blote eigendom, werd er geen rechtshandeling gesteld in strijd met (de doelstelling van) art. 2.7.1.0.7 VCF.

48. Geen van de verrichte schenkingen vallen derhalve onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.7 VCF, ook niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

Rechtszekerheidsbeginsel

49. Zelfs in de mate dat zou worden geoordeeld dat de schenkingen verricht in 2010 en deze verricht bij akte van xx.xx.2014, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.7 VCF vallen, dan is nog geen erfbelasting verschuldigd aangezien zij als niet-geregistreerde schenkingen wel nog als tegenbewijs van de bedekte bevoordeling kunnen dienen aangezien zij werden gedaan vóór 1 juni 2016, namelijk in 2010 respectievelijk 2014. Het Standpunt nr. 15004 d.d. 3 oktober 2016, dat vermeldt dat art. 2.7.1.0.7 VCF eveneens van toepassing is op gesplitste inschrijvingen van effecten of geldbeleggingen en dat het tegenbewijs tegen het vermoeden van bevoordeling slechts kan worden geleverd op dezelfde wijze als bij een gesplitste aankoop en dus niet met een voorafgaande schenking waarop geen schenkbelasting werd betaald, is immers pas toepasbaar voor inschrijvingen vanaf 1 juni 2016.

50. Het rechtszekerheidsbeginsel en daarbij in het bijzonder het beginsel van niet-retroactiviteit van administratieve beslissingen, dat ligt vervat in de Grondwet en minstens als algemeen rechtsbeginsel doorwerkt in het fiscaal recht, verzet zich immers tegen de retroactieve toepassing van nieuwe standpunten van de fiscale administratie.

Arrest Raad van State 12 juni 2018

51. Tot slot kan ook worden verwezen naar het arrest van de Raad van State d.d. 12 juni 2018. Hierdoor kan o.i. worden gesteld dat de problematiek van artikel 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, al helemaal niet meer speelt ten aanzien van de verrichte schenkingen.

Toepassing art. 2.7.1.0.7 VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

52. Door het stellen van de voorgenomen verrichtingen, houden de schenkers het stemrecht op telkens twee delen van de maatschappen B en A. Zij hebben recht op een jaarlijkse rente van 4%, te herleiden naar 1,5% bij overlijden van één van hen, begrensd tot 60% van de waarde van hetgeen werd geschonken. De begiftigden houden alle delen inclusief het stemrecht hierop aan, behoudens het stemrecht op 2 delen van de maatschap B en 2 delen van de maatschap A. Zowel de schenkers als de begiftigden dienen hun goedkeuring te geven met betrekking tot de beslissingen die door de gewone en door de buitengewone algemene vergadering van de maatschappen B en A dienen te worden genomen. Het geheel zal vervolgens ter registratie worden aangeboden en er zal 3%[11] schenkbelasting worden betaald. Mocht er al een probleem zijn met de gestelde verrichtingen in het kader van artikel 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, dan is dit alleszins niet meer het geval ingevolge de voorgestelde aanpassingen.

53. Aanvrager vraagt te bevestigen dat er na het stellen van de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij het overlijden van zowel de eerststervende als de langstlevende van beide schenkers ter zake de in 2010 en 2014 geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen hiervoor reeds in de plaats is gekomen (te weten de delen van de maatschap B, de delen van de maatschap A en de activa aangehouden door deze maatschappen) of nog zal komen, noch op de interesten, vruchten en meerwaarden hiervan dan wel van hetgeen hiervoor reeds in de plaats is gekomen of nog zal komen, noch op grond van art. 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling?[12]

VRAAG 2: IS ART. 2.7.1.0.9 VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Toepassingsgebied art. 2.7.1.0.9 VCF

54. Art. 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als:

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

55. Art. 2.7.1.0.9 VCF viseert (onder meer) goederen die door de erflater onder bezwarende titel werden afgestaan, onder voorbehoud van een levenslang recht, waarbij een bedekte bevoordeling voorligt.

Geen toepassing mogelijk als rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd

56. De schenkingen van de echtgenoten “de vader - de moeder” aan hun kinderen zijn niet bedekt, maar worden openlijk als een schenking gekwalificeerd. Art. 2.7.1.0.9 VCF kan dus niet van toepassing zijn. Dit artikel viseert immers enkel rechtshandelingen ten kosteloze titel die bewust verkeerd worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel, en niet rechtshandelingen ten bezwarende titel die onbewust “verkeerd” worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten kosteloze titel.

57. Zie hierover uitdrukkelijk in M. Donnay: “L’article 11 est de même hors cause en cas de donation par le défunt avec réserve d’usufruit ou à charge de lui payer une rente. Dans ces cas, il n’y a pas de fraude (sous la forme d’une libéralité déguisée), puisque l’opération elle-même se présente sous le caractère de libéralité.[13]

Geen overeenkomst ten bezwarende titel

58. In de mate toch zou worden geoordeeld dat art. 2.7.1.0.9 VCF van toepassing kan zijn als de rechtshandeling openlijk wordt gekwalificeerd als een schenking dient te worden gesteld dat de vermogensoverdracht van de echtgenoten “de vader - de moeder” aan hun kinderen niet onder bezwarende titel is gebeurd.

59. Een overeenkomst ten bezwarende titel houdt immers in dat er een wederkerige overeenkomst is die voor beide partijen een pecuniair voordeel oplevert[14]. Levert zij voor één van de partijen geen dergelijk voordeel op, dan is zij om niet. Wanneer een vermogensbestanddeel derhalve zonder gelijkwaardig geachte economische tegenprestaties van een vermogen naar een ander gaat, ligt er een overeenkomst om niet voor.

60. Teneinde een overeenkomst te kwalificeren moet worden gekeken naar de bedoeling van de partijen[15]. Er dient immers te worden bekeken of de prestaties subjectief gelijkwaardig zijn, of niet. De schenkingen waren duidelijk bedoeld om ten kosteloze titel te geschieden en uiteraard niet om ooit evenveel of meer te kunnen terugkrijgen dan werd geschonken.  De delen van de maatschap B werden aan De dochter en De zoon geschonken, zonder dat zij hiervoor bij de verkrijging van deze goederen een gelijkwaardige tegenprestatie dienden te leveren ten voordele van hun ouders. Enkel de dochter en de zoon bekomen een economisch voordeel door de schenking. Zij hebben zich verrijkt, terwijl hun ouders zich hebben verarmd. Hetzelfde geldt voor de onrechtstreekse schenkingen verricht in 2010.

61. Daarnaast blijkt ook uit een aantal modaliteiten dat de akten ten titel van schenking en dus ten kosteloze titel zijn gesteld. Er wordt in de schenkingsakte d.d. xx.xx.2014 bijvoorbeeld verwezen naar de artikelen uit het Burgerlijk Wetboek omtrent de herroeping van een schenking indien de last uit de schenking niet wordt nageleefd door de begiftigden en er wordt bepaald dat de schenking is gebeurd als voorschot op erfdeel.

62. De schenking d.d. xx.xx.2014 werd gedaan onder de last om jaarlijks een rente van 4% van het geschonken vermogen af te staan aan de schenkers. Er werd hierbij voor zoveel als nodig geëxpliciteerd dat deze rente op vraag van de begiftigden dient te worden voldaan met het door de maatschap aangehouden vermogen (= het geschonken vermogen). Dit geldt zowel voor het vermogen dat bij akte van xx.xx.2014 is geschonken als het vermogen dat in 2010 is geschonken. Als last van de schenking van xx.xx.2014 was immers bedongen dat de voorwaarden, lasten en modaliteiten van deze schenking eveneens zouden gelden voor het in 2010 geschonken vermogen.

63. Deze rentelast doet dus geen afbreuk aan het kosteloze karakter van de verrichte schenkingen. Doordat de last kan worden voldaan met het geschonken vermogen, zoals voor zoveel als nodig ook expliciet voorzien in de schenkingsakte van xx.xx.2014, moeten de begiftigden uiteraard nooit hun eigen vermogen aanspreken om de last tot afstand van een rente te voldoen. De begiftigden zullen zich dus in geen enkel geval verarmen door het aanvaarden van de schenking.

64. Er ligt duidelijk geen contract ten bezwarende titel voor, zelfs geen kanscontract. Een kanscontract houdt immers in dat de partijen niet weten of zij voordeel of nadeel uit de rechtshandeling zullen halen. In casu zullen de begiftigden nooit nadeel halen door de aan hen in 2010 en 2014 verrichte schenkingen. De begiftigden hebben derhalve niets te verliezen bij het aangaan van de overeenkomst, alleen maar te winnen. Voor de schenkers geldt het omgekeerde.

65. Aangezien de schenkingen van de echtgenoten “de vader - de moeder” aan hun kinderen gedaan in 2010 en 2014 nooit als een overeenkomst ten bezwarende titel kunnen kwalificeren, kan art. 2.7.1.0.9 VCF niet worden toegepast (als men al van oordeel zou zijn dat art. 2.7.1.0.9 VCF überhaupt van toepassing kan zijn als de rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd).

In combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF

66. Ook in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF kan art. 2.7.1.0.9 VCF volgens aanvrager niet van toepassing zijn.

67. Op de schenkingen verricht in 2010 is deze bepaling in geen geval van toepassing, alleen al vermits zij hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2012.

68. Er is fiscaal misbruik voorhanden wanneer de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van de fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst. Wanneer een tekstuele interpretatie toelaat om de tekst te begrijpen, mag men niet overgaan naar de tweede fase van de interpretatie waarbij dan de bedoeling van de wetgever wordt opgespoord. De doelstelling van een fiscale bepaling is duidelijk en vervat in de bepaling zelf[16], hetgeen ook het geval is voor art. 2.7.1.0.9 VCF. Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert.

69. De doelstelling van art. 2.7.1.0.9 VCF bestaat erin de overeenkomst die in het vooruitzicht van het overlijden van de schenker onder het mom van een vervreemding ten bezwarende titel werd gedaan maar eigenlijk een schenking is, te belasten in de erfbelasting. Ook met het voorbeeld dat gegeven wordt in de Memorie van Toelichting komt diezelfde doelstelling naar voren: “Eindelijk, ziet men vaak personen, in het vooruitzicht van hun overlijden, aan hunne wettige of aangestelde erfgenamen alle hunne goederen of een deel daarvan mits eene lijfrente afstaan. De akte wordt geboekt tegen het voor verkoopen bepaalde recht en de schatkist blijft verstoken van het verschil tusschen dit recht en het erfenisrecht”[17].

70. In casu werd de begiftiging naar de erfgenamen helemaal niet verborgen gehouden, integendeel. Er werd duidelijk vermeld dat de overeenkomst als een schenking is bedoeld. Er is dus helemaal geen sprake van bedrog. Art. 2.7.1.0.9 VCF is dan ook niet van toepassing op de schenkingen gedaan in 2010 en 2014, ook niet (voor wat betreft de schenking d.d. xx.xx.2014) in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

Rechtszekerheidsbeginsel

71. Maar zelfs in de mate dat zou worden geoordeeld dat een schenking waarin, in functie van de leeftijd van de schenker en de (waarde van de) geschonken goederen, een (te) hoge rente werd voorzien voor de schenker waardoor de begiftigden eventueel op termijn weinig tot niets van de schenking zouden overhouden, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.9 VCF valt, dan verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen de toepassing ervan op schenkingsakten die in het verleden werden gesteld. Het rechtszekerheidsbeginsel en daarbij in het bijzonder het beginsel van niet-retroactiviteit van administratieve beslissingen, dat ligt vervat in de Grondwet en minstens als algemeen rechtsbeginsel doorwerkt in het fiscaal recht, verzet zich immers tegen de retroactieve toepassing van nieuwe standpunten van de fiscale administratie. Een schenking met een last tot afstand van een rente werd in het verleden nooit in vraag gesteld in het licht van art. 2.7.1.0.9 VCF. Indien de schenkingsakte voor Nederlandse notaris werd verleden, werd er in het verleden nooit erfbelasting gevestigd op grond van art. 2.7.1.0.9 VCF bij het overlijden van de schenker. Indien de schenkingsakte voor Belgische notaris werd verleden, werd er steeds schenkbelasting geheven en werd nooit geoordeeld dat slechts het algemeen vast recht was verschuldigd (in de hypothese dat het roerende goederen betrof) aangezien het om een overeenkomst ten bezwarende titel zou gaan. Art. 2.7.1.0.9 VCF werd overigens niet ingevoerd om deze situatie te belasten. De fictiebepaling van art. 2.7.1.0.9 VCF heeft een eigen autonoom toepassingsgebied, nl. het belasten van bevoordelingen die onder het mom van een contract ten bezwarende titel verborgen werden gehouden voor de fiscale administratie.

72. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en in de lijn met wat de Vlaamse Belastingdienst steeds naar voren schuift inzake standpunten die een breuk met het verleden vormen, kan het nieuwe standpunt ten vroegste vanaf publicatie van de Voorafgaande Beslissing met nummer 16046 worden toegepast, zijnde ten vroegste voor wat betreft schenkingsakten verleden vanaf 30 november 2016.

Toepassing art. 2.7.1.0.9 VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

73. Door het stellen van de voorgenomen verrichtingen en meer bepaald door de verduidelijking van de modaliteiten van de schenkingsakte (verduidelijking last tot afstand van een rente) wordt, ook al was dit reeds ontegensprekelijk het geval, nogmaals verduidelijkt dat een schenking voorligt. Minstens na de voorgenomen aanpassingen kan er aldus geen twijfel meer zijn over het feit dat art. 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, niet van toepassing kan zijn.

74. Aanvrager vraagt te bevestigen dat er na deze aanpassing geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij het overlijden van zowel de eerststervende als de langstlevende van beide schenkers ter zake de in 2010 en 2014 geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen hiervoor reeds in de plaats is gekomen (te weten de delen van de maatschap B, de delen van de maatschap A en de activa aangehouden door deze maatschappen) of nog zal komen, noch op de interesten, vruchten en meerwaarden hiervan dan wel van hetgeen hiervoor reeds in de plaats is gekomen of nog zal komen, noch op grond van art. 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling, ongeacht of de rente al dan niet, deels dan wel geheel, wordt opgenomen door de schenkers?[18]

VRAAG 3: IS ART. 2.7.1.0.3, 3° VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Toepassingsgebied art. 2.7.1.0.3, 3° VCF

75. Art. 2.7.1.0.3, 3° VCF luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”

76. Art. 2.7.1.0.3., 3° VCF viseert schenkingen die werden gedaan onder de opschortende voorwaarde/termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Geen schenking onder de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker

77. De schenkingen verricht in 2010 noch deze van xx.xx.2014 werden gedaan onder de opschortende voorwaarde/termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenkers.

Geen opschortende voorwaarde/termijn

78. De eigendom van het voorwerp van de schenkingen, nl. tegoeden en effecten enerzijds en delen van de maatschap B anderzijds, werd onmiddellijk overgedragen aan de begiftigden. Dat een vervreemdingsverbod en/of een voorbehoud van beheer/stemrecht en/of een plicht tot onderschrijving van een levensverzekeringscontract en/of de inkapseling in een maatschap werd voorzien doet hieraan geen afbreuk, integendeel.

79. De geschonken goederen, nl. tegoeden en effecten enerzijds en de delen van de maatschap B anderzijds, zijn definitief uit het vermogen van de schenkers verdwenen. Ze behoren vanaf het ogenblik van de schenking tot het vermogen van de begiftigden.

80. De schenkingen vallen derhalve niet binnen het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF.

In combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF

81. Ook in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF is art. 2.7.1.0.3,3° VCF niet van toepassing.

82. Op de schenkingen verricht in 2010 is deze bepaling in geen geval van toepassing, alleen al vermits zij hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2012.

83. Er is fiscaal misbruik voorhanden wanneer de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van de fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst. Wanneer een tekstuele interpretatie toelaat om de tekst te begrijpen, mag men niet overgaan naar de tweede fase van de interpretatie waarbij dan de bedoeling van de wetgever wordt opgespoord. De doelstelling van een fiscale bepaling is duidelijk en vervat in de bepaling zelf[19], hetgeen ook het geval is voor art. 2.7.1.0.3,3°. VCF.

84. De fictiebepaling van art. 2.7.1.0.3,3° VCF werd ingevoerd om te vermijden dat de nieuwe verlaagde tarieven voor schenkingen van roerende goederen van 3% en 7% ook zouden kunnen worden toegepast ten aanzien van schenkingen gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Bij de invoering van de fictiebepaling van art. 2.7.1.0.3,3° VCF was het gebruik van een maatschap in het kader van een vermogensplanning reeds gekend. Het was dan ook zeker niet de bedoeling om een schenking in combinatie met een maatschap aan te pakken via deze fictiebepaling.

85. De doelstelling van deze fictiebepaling blijkt duidelijk uit de Memorie van Toelichting: “Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.[20]

86. Ook de Vlaamse minister van Financiën heeft de doelstelling van (oud) art. 4,3° Vl.W.Succ. in die zin bevestigd: “Uit de parlementaire voorbereiding blijkt duidelijk dat deze aanpassing misbruiken aangaande het vlak tarief voor schenkingen van roerende goederen wilde bestrijden. In de praktijk bleek er immers een gemakkelijke manier om enerzijds het voordeel van het verlaagde tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van overlijden zodat slechts op het ogenblik van het overlijden het evenredige recht (met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht) opeisbaar werd. Dat was uiteraard niet te bedoeling bij de invoering van de bijzonder verlaagde rechten. Burgerrechtelijk heeft een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden immers vrijwel dezelfde gevolgen als een legaat terwijl ze fiscaalrechtelijk sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief werden onderworpen… De oorsprong van artikel 4, 3° Vl. W. Succ. komt dus duidelijk tegemoet aan een legitieme en rechtvaardige doelstelling, namelijk de wens om misbruiken te bestrijden… Het blijft belangrijk om goede maatregelen zoals het vlak tarief inzake schenking van roerende goederen niet te laten ondermijnen door misbruik van dergelijke maatregelen”[21].

87. Nadien werd ook een schenking gedaan onder de opschortende termijn van het overlijden van de schenker uitdrukkelijk geviseerd.

88. De schenking van xx.xx.2014 werd niet gedaan onder de opschortende voorwaarde/termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenkers. Bij een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenker en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn zich niet heeft vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker. Door de schenking van de delen van de maatschap B zijn deze onmiddellijk en definitief uit het vermogen van de echtgenoten “de vader - de moeder” verdwenen. De eigendom ervan is vanaf het ogenblik van de schenking aan De dochter en De zoon toegekomen. Daarnaast kan art. 2.7.1.0.3,3° VCF overeenkomstig de ratio legis slechts van toepassing zijn op schenkingen die vrijwillig ter registratie werden aangeboden of verplicht registreerbaar zijn. Immers, enkel bij deze schenkingen worden de verlaagde tarieven toegepast, ook al verkrijgen de begiftigden de geschonken goederen pas bij het overlijden van de schenker, waardoor een misbruik voorligt van de verlaagde tarieven bij schenkingen van roerende goederen. Het was dan ook in die optiek dat de fiscale administratie met haar administratieve beslissing van 26 april 2005 van mening was dat (oud) art. 4, 3° Vl.W.Succ. enkel van toepassing was bij vrijwillig ter registratie aangeboden schenkingen of verplicht registreerbare schenkingen.

89. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest d.d. 30 oktober 2013 geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan. Ook de Minister van Financiën heeft in het kader van de gesplitste aankoop gemeld dat de algemene antimisbruikbepaling niet meer speelt als er een specifieke antimisbruikbepaling van toepassing is: “Artikel 9 van het Wetboek Successierechten is op zich reeds een antimisbruikbepaling wat ertoe geleid heeft dat de gesplitste aankoop niet meer opgenomen is in de lijst van verrichtingen waarop de nieuwe antimisbruikbepaling van toepassing kan zijn[22].”

90. De specifieke antimisbruikbepaling van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF bestaat erin te vermijden dat van de verlaagde tarieven in de schenkbelasting misbruik zou worden gemaakt door een geregistreerde schenking te doen waarbij de begiftigden de geschonken goederen pas bij overlijden van de schenker verkrijgen, maar in dat geval slechts de verlaagde tarieven van de schenkbelasting zijn verschuldigd in plaats van de hogere tarieven van de erfbelasting. Wordt een niet verplicht te registreren schenking niet vrijwillig ter registratie aangeboden, dan is niet art. 2.7.1.0.3., 3° VCF van toepassing, maar wel art. 2.7.1.0.5. VCF. Elke fictiebepaling heeft immers een eigen autonoom toepassingsgebied.

Uit de Voorafgaande Beslissing nr. 16046 d.d. 14 november 2016 blijkt evenwel dat de Vlaamse Belastingdienst meent dat met de voorafgaande oprichting van een maatschap waarna een schenking volgt het enkel de bedoeling is de volledige controle over het vermogen van de maatschap te behouden en dat hiermee wordt geprobeerd om de toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF te omzeilen aangezien de rechtsgevolgen van de vooropgestelde constructie identiek zijn aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

91. Vooreerst heeft de voorafgaande oprichting van een maatschap waarna de delen worden geschonken niet dezelfde rechtsgevolgen als deze van een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker, zeker niet in voorliggend geval. Door de schenking van de delen van de maatschap B zijn de geschonken delen definitief uit het vermogen van de heer en mevrouw “de vader - de moeder” verdwenen. Deze behoren geenszins nog tot hun eigendom. Bij een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenker en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn zich niet heeft vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker, terwijl dit bij de schenking van delen van de maatschap onmiddellijk gebeurt. Bij de schenking van de delen van de maatschap dienen de begiftigden bijvoorbeeld vanaf het ogenblik van de schenking de inkomstenbelastingen te voldoen van de in de maatschap aangehouden vermogensbestanddelen. Bij een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn dient de schenker de inkomstenbelastingen te voldoen. Pas bij zijn overlijden dienen de begiftigden dit te voldoen. Er is dus een fundamenteel verschil.

92. Daarnaast is zoals hierboven uiteengezet de doelstelling van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF niet gefrustreerd en dat is overigens de enige toetssteen van de toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF, niet de soortgelijke rechtsgevolgen.

Doorslaggevende niet-fiscale motieven

93. In de mate toch tot fiscaal misbruik zou worden besloten, quod non, dan zijn in casu wel doorslaggevende niet-fiscale motieven aanwezig. De maatschap heeft immers als voornaamste doelstelling de instandhouding van het familiaal vermogen teneinde te vermijden dat het familiaal vermogen zou verbrokkelen tussen de verscheidene begiftigden, wat bv. op beleggingsvlak helemaal niet interessant zou zijn.

Rechtszekerheidsbeginsel

94. Maar zelfs in de mate dat zou worden geoordeeld dat een schenking in combinatie met de oprichting van een maatschap, gekoppeld aan het leven van de schenker en waarbij de schenker zaakvoerder van de maatschap is, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF valt, dan verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen de toepassing ervan op schenkingsakten die in het verleden werden gesteld. Het rechtszekerheidsbeginsel en daarbij in het bijzonder het beginsel van niet-retroactiviteit van administratieve beslissingen, dat ligt vervat in de Grondwet en minstens als algemeen rechtsbeginsel doorwerkt in het fiscaal recht, verzet zich immers tegen de retroactieve toepassing van nieuwe standpunten van de fiscale administratie.

95. Een schenking van delen van een maatschap werd in het verleden nooit in vraag gesteld in het licht van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF. Indien de schenkingsakte voor Nederlandse notaris werd verleden, werd art. 2.7.1.0.3., 3° VCF nooit toegepast bij overlijden van de schenker. Indien de schenkingsakte voor Belgische notaris werd verleden, werd steeds onmiddellijk de schenkbelasting van 3% (tarief rechte lijn) geheven. Art. 2.7.1.0.3., 3° VCF werd ook niet ingevoerd om deze situatie te belasten, al helemaal niet in de mate de schenking is gebeurd voor buitenlandse notaris en deze schenking niet vrijwillig werd geregistreerd.

96. De fictiebepaling van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF heeft immers een eigen autonoom toepassingsgebied, nl. het belasten van schenkingen die werden gedaan onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker waarbij, mocht deze fictiebepaling niet bestaan, slechts het lage tarief van de schenkbelasting zou zijn verschuldigd bij het overlijden van de schenker, in plaats van het hogere tarief van de erfbelasting.

97. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en in de lijn met hetgeen de Vlaamse Belastingdienst steeds naar voren schuift inzake standpunten die een breuk met het verleden vormen, kan het nieuwe standpunt ten vroegste vanaf publicatie van de Voorafgaande Beslissing met nummer 16046 worden toegepast, zijnde ten vroegste voor wat betreft schenkingsakten verleden vanaf 30 november 2016.

Toepassing art. 2.7.1.0.3,3° VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

98. Door de vermogensbestanddelen in te brengen in een maatschap beschikken de schenkers ook na de schenking over de beheers- en beschikkingsbevoegdheid van deze vermogensbestanddelen, zijnde thans de activa aangehouden door de maatschap, in naam en voor rekening van de begiftigden.

99. Het lijkt de aanvrager dan ook dat, in de mate dat art. 2.7.1.0.3., 3° VCF van toepassing is, hetgeen dus evenwel volgens de aanvrager niet het geval is, de toepassing ervan hoe dan ook kan worden vermeden door middels statutenwijziging van de maatschap en schrapping van het voorbehoud van stemrecht verbonden aan de schenkingen, de zeggenschap van de zaakvoerders/schenkers af te zwakken in die mate dat de zaakvoerders/schenkers wel nog het beheer kunnen uitoefenen over de activa van de maatschap en over al hetgeen in de plaats komt door belegging, wederbelegging of zaakvervanging, maar geenszins nog alleen hierover kunnen beschikken.

100. Na de statutenwijziging (en de schrapping van het voorbehoud van stemrecht) zullen daden van beheer door de zaakvoerders (schenkers) alleen kunnen worden gesteld, terwijl daden van beschikking enkel mits unaniem akkoord van de vennoten (schenkers en begiftigden) zullen kunnen worden gesteld. Er komt een duidelijke definitie van daden van beheer enerzijds en daden van beschikking anderzijds. Bij discussie over de kwalificatie van de handeling dient de handeling te worden beschouwd als een daad van beschikking en kan deze slechts mits unaniem akkoord van de vennoten (schenkers en begiftigden) worden gesteld. De Statuten van de maatschappen B en A zullen worden aangepast overeenkomstig hetgeen hierboven beschreven. Na deze aanpassing kan er dus al helemaal geen toepassing meer zijn van art. 2.7.1.0.3,3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

101. Aanvrager vraagt te bevestigen dat er alleszins na het stellen van de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij het overlijden van zowel de eerststervende als de langstlevende van beide schenkers ter zake de geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen hiervoor reeds in de plaats is gekomen (te weten de delen van de maatschap B, de delen van de maatschap A en de activa aangehouden door deze maatschappen) of nog zal komen, noch op de interesten, vruchten en meerwaarden van het geschonkene dan wel van hetgeen hiervoor reeds in de plaats is gekomen of nog zal komen, noch op grond van art. 2.7.1.0.3,3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling?[23]

VRAAG 4: IS ART. 2.7.1.0.6 VCF j. ART. 2.7.3.2.8 VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Art. 2.7.1.0.6 VCF en art. 2.7.3.2.8 VCF

102. Art. 2.7.1.0.6 VCF luidt als volgt:

Ҥ1 De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:

door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;

door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.

Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.

§2 Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.

De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. 2[Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.]2

Dit artikel is niet van toepassing op:

de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;

de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;

de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;

de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.”

103. Art. 2.7.3.2.8, §2 VCF luidt als volgt:

“In het geval van een levensverzekeringscontract wordt de belastbare grondslag van de sommen, renten of waarden, die aan de persoon, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, kunnen toekomen, verminderd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken.”

Huidige situatie

104. In 2010 deed het echtpaar “de vader - de moeder” de volgende schenkingen:

  1. Pactes adjoints d.d. xx.xx.2010: onrechtstreekse schenking van liquiditeiten ten bedrage van […] en effecten ter waarde van […] aan zowel de dochter als de zoon;
  2. Pactes adjoints d.d. xx.xx.2010: onrechtstreekse schenking van liquiditeiten ten bedrage van […] en effecten ter waarde van […] aan zowel de dochter als de zoon;
  3. Pactes adjoints d.d. xx.xx.2010: onrechtstreekse schenking van liquiditeiten ten bedrage van […] aan zowel de dochter als de zoon.

105. De dochter stortte vervolgens de aan haar geschonken vermogensbestanddelen in het levensverzekeringscontract nummer […] en de zoon stortte de aan hem geschonken vermogensbestanddelen in het levensverzekeringscontract nummer […], beide onderschreven bij […]. De initiële verzekeringnemers zijn aldus de dochter en de zoon. Als verzekerd hoofd werden aangeduid de dochter in het contract waarin zij verzekeringnemer was en de zoon in het contract waarin hij verzekeringnemer was. Als begunstigde werd in beide contracten de echtgenoten “de vader - de moeder” aangewezen. Het opzet waarbij eerst de tegoeden worden geschonken en de begiftigden pas erna zelf een verzekeringscontract onderschrijven, kan ook in de visie van Vlabel niet gelijk worden gesteld met een schenking van de rechten van het verzekeringscontract, zodat er hoe dan ook tot op dit ogenblik geen toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF kan voorliggen bij overlijden van één van de echtgenoten “de vader - de moeder” (zie Standpunt nr. 15133 dd. 12.10.2015 en 30.11.2015 zoals hernomen in Standpunt nr. 15142 d.d. 21.12.2015 ).
 
106. Op xx.xx.2014 werden (de vorderingsrechten op) beide contracten ingebracht in een maatschap. Gelet op het winstoogmerk van een maatschap en gelet op het feit dat alle handelingen die in het kader van een maatschap worden gesteld dienen te geschieden in het belang van de vennoten (zie ook, specifiek aangaande het beleggen in een levensverzekeringscontract, artikel 8.2, derde laatste lid van de statuten), werd de maatschap (en dus bij gebreke van rechtspersoonlijkheid van de maatschap, eigenlijk haar vennoten proportioneel met de door hen gehouden deelgerechtigheden) hierbij dan ook aangesteld als verzekeringnemer en als begunstigde van de ingebrachte levensverzekeringscontracten. De zaakvoerders hebben dus geen andere keuze dan de maatschap zowel als verzekeringnemer als begunstigde van de ingebrachte verzekeringscontracten aan te wijzen. Overigens geldt, mochten de zaakvoerders wel een dergelijke keuze hebben gehad, dat de zaakvoerders sowieso optreden als lasthebber van de deelgenoten (zie ook artikel 8.2, tweede lid van de statuten). Hoe dan ook ligt er derhalve na de inbreng een beding ten behoeve van zichzelf voor, zodat ook na de inbreng artikel 2.7.1.0.6. VCF niet van toepassing kan zijn bij overlijden van één van de echtgenoten “de vader - de moeder”.
 
107. Ook in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dit niet het geval zijn. Door de inbreng in de maatschap hebben de inbrengers geen fiscaal voordeel willen bereiken, want zij waren reeds in een toestand waarbij zij bij overlijden van één van de echtgenoten “de vader - de moeder” geen erfbelasting zouden dienen te betalen op de beide verzekeringscontracten. Bovendien is een deel van de verrichtingen hoe dan ook reeds voor de inwerkingtreding van de art. 3.17.0.0.2 VCF gesteld, zodat alleen al daarom van dit laatste artikel geen toepassing kan worden gemaakt. (zie Vr. nr. 101 DEVLIES 8 november 2012 aan de staatssecretaris voor de Bestrijding van de Sociale en de Fiscale Fraude, toegevoegd aan de eerste minister, over “het tijdstip van de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling in registratie- en successierechten” Vr. en Antw. Kamer 2012-13, 2 april 2013, nr. 53 107, 304)

Situatie na betaling van schenkbelasting

108. In de mate er toch zou worden geoordeeld dat er bij de bestaande opzet erfbelasting zou verschuldigd zijn bij het overlijden van één van de echtgenoten “de vader - de moeder”, op basis van art. 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, dan zal dit alleszins niet meer het geval zijn vanaf het ogenblik dat de akte inzake wijziging en interpretatie van de modaliteiten ter registratie zal worden aangeboden, althans ten belope van de afkoopwaarde van de bestaande verzekeringscontracten op dat ogenblik. In dat geval is art. 2.7.3.2.8, §2 VCF immers van toepassing.

109. Enkel op het positieve verschil tussen de bij of na overlijden van het echtpaar “de vader - de moeder” uitgekeerde verzekeringsprestaties en de waarde van de delen van de maatschap A die in de plaats zijn gekomen van de verzekeringscontracten op het tijdstip van het verlijden van de notariële akte inzake wijziging en interpretatie van de modaliteiten verbonden aan de schenking en waarop schenkbelasting werd betaald, zou dan nog erfbelasting zijn verschuldigd.

Situatie na daaropvolgende afkoop van de bestaande polissen en onderschrijving van nieuwe polis(sen)

110. Als de bestaande polissen worden afgekocht is er helemaal geen toepassing meer mogelijk van art. 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF. Het feit dat er daarna nieuwe polissen worden onderschreven door de maatschap, doet hieraan geen afbreuk. Wij verwijzen hierbij naar Standpunt nr. 15133 d.d. 12.10.2015 en 30.11.2015 zoals hernomen in Standpunt nr. 15142 d.d. 21.12.2015.

111. De maatschap A zal vervolgens overgaan tot het afsluiten van één of meerdere nieuwe verzekeringscontracten, allicht bij een Belgische afdeling van de verzekeringsmaatschappij […]. Als verzekeringnemer en als begunstigde van deze contracten zal de maatschap optreden, en dus – bij gebreke van rechtspersoonlijkheid van de maatschap – in feite haar vennoten elk ten belope van hun deelgerechtigheden. Als verzekerd hoofd zullen allicht de echtgenoten “de vader - de moeder” optreden, doch dit lijkt ons van geen belang te zijn in de analyse. De vraag is nu of artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, op deze nieuwe af te sluiten levensverzekeringscontracten van toepassing kan zijn.

Dat is niet het geval, en dit achtereenvolgens om de volgende redenen.

112. Ten eerste is er hoe dan ook in het kader van een maatschap geen enkele keuze bij de aanduiding van de verzekeringnemer en de begunstigde. Dit dient hoe dan ook steeds de maatschap zelf te zijn, dit zijn – bij gebreke van rechtspersoonlijkheid van de maatschap – de vennoten elk ten belope van hun aandeel (in casu dus de zoon en de dochter, elk voor de helft). Een maatschap fungeert immers net als elke andere vennootschap met het oog op het verwerven van winst voor de vennoten, zodat alle handelingen in hun belang dienen te worden gesteld. De zaakvoerder heeft dus geen enkele marge bij de aanduiding van de begunstigden en treedt overigens steeds op als lasthebber van de vennoten. Als een maatschap een verzekeringscontract afsluit, ligt er derhalve steeds en noodzakelijkerwijze een beding ten gunste van zichzelf voor in hoofde van elk van de vennoten. In de – op het ogenblik van het onderschrijven van de nieuwe contracten aangepaste statuten – wordt de noodzaak om in het kader van een maatschap steeds de maatschap als verzekeringnemer en begunstigde aan te wijzen overigens ook nogmaals statutair verankerd, en wel in artikel 3 eerste alinea in fine en artikel 8.2 tweede alinea en vijfde alinea.

113. Mocht het bovenstaande in de visie van Vlabel niet volstaan, dan dient te worden gesteld dat na de aanpassing van de statuten de zaakvoerder zelf niet meer kan optreden in het kader van het afsluiten van een verzekeringscontract. De beslissing tot het afsluiten van een verzekeringscontract en het aanduiden van de begunstigden van een dergelijk contract is ingevolge de aangepaste statuten van de maatschap A immers de exclusieve bevoegdheid van de buitengewone algemene vergadering en niet langer van de zaakvoerder (zie artikel 8.2 derde en vierde alinea van de statuten). Zelfs voor de vertegenwoordigingshandelingen geldt dat het de vennoten zijn die op dit punt optreden, en niet enkel de zaakvoerder (zie artikel 8.2 zesde alinea van de statuten).

114. Mocht ook het bovenstaande nog van aard zijn dat Vlabel van oordeel is dat er bij het overlijden van één van de echtgenoten “de vader - de moeder” een toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, aan de orde is, dan kan dit o.i. enkel het geval zijn voor het bedrag dat zal worden uitgekeerd bovenop de waarde waarop er schenkbelasting zal worden betaald ingevolgde het verlijden van de akte houdende bevestiging van de schenking – wijziging en interpretatie modaliteiten schenking, en dit ingevolge toepassing van artikel. 2.7.3.2.8, §2 VCF.

115. En ook in dit geval kan de toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, o.i. volledig worden vermeden, door: 

  1. De of het nieuw af te sluiten contract(en) in de toekomst tussentijds gedeeltelijk af te kopen, met name ten belope van de meerwaarde (in vergelijking met de waarde op het tijdstip van het verlijden van de notariële akte tot wijziging en interpretatie van de modaliteiten van de schenking voor Belgische notaris), zodanig dat bij overlijden van het echtpaar “de vader - de moeder” het bedrag van de uitkering niet hoger is dan het bedrag van de belastbare grondslag waarop schenkbelasting werd betaald, waardoor er bij toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF in combinatie 2.7.3.2.8 §2 VCF geen erfbelasting verschuldigd zal zijn op de uitkering;
  2. dit contract in de toekomst geheel af te kopen. In dat geval is er geen polis meer ten dage van het overlijden van de oorspronkelijke verzekeringnemer, zodat er geen uitkering meer kan gebeuren waardoor er geen toepassing kan zijn van artikel 2.7.1.0.6. VCF (als dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF)  voor wat dat contract betreft.

116. Voor de volledigheid wordt hieraan toegevoegd dat het doen van een afkoop door de verzekeringnemer geen fiscaal misbruik uitmaakt. In het Standpunt nr. 15142 d.d. 21 december 2015 waarin Standpunt nr. 15133 d.d. 12 oktober 2015 en d.d. 30 november 2015 wordt hernomen, wordt een afkoop van het verzekeringscontract door de begiftigde na de schenking als mogelijke piste naar voren geschoven om de heffing van de erfbelasting bij het overlijden van de oorspronkelijke verzekeringnemer te vermijden.

117. Aanvrager vraagt te bevestigen:

1) dat er in de bestaande opzet (i.e. de huidige situatie) geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij of na het overlijden van zowel de eerststervende als de langstlevende van beide schenkers, noch op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling, op de waarde van de delen van de maatschap A, die ingevolge zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de verzekeringscontracten die de begiftigden hebben onderschreven met geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen hiervoor nog in de plaats zal komen (waaronder tevens te begrijpen enige uitkering of tegoed uit afkoop inzake de bestaande polissen) alsook op de interesten, vruchten, en de meerwaarden van het geschonkene of van hetgeen ervoor reeds in de plaats is gekomen of nog in de plaats zal komen

2) dat er in de mate er toch zou worden geoordeeld dat er bij de bestaande opzet erfbelasting zou verschuldigd zijn bij of na het overlijden van de eerststervende en/of de langstlevende van beide schenkers op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, dit alleszins niet meer het geval zal zijn na het stellen van de voorgenomen verrichtingen, meer bepaald na het verlijden van de akte inzake wijziging en interpretatie van de schenkingsmodaliteiten en de aanbieding ter registratie van de akte ten gevolge waarvan schenkbelasting zal worden betaald op de waarde van de delen van de maatschap A die in de plaats zijn gekomen van de verzekeringscontracten op het tijdstip van het verlijden van de akte, althans voor wat betreft die waarde, en dit in toepassing van art. 2.7.3.2.8 VCF?

3) dat, na het stellen van de voorgenomen verrichtingen, geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij of na het overlijden van zowel de eerststervende als de langstlevende van beide schenkers, noch op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF (desgevallend j. art. 2.7.3.2.8 VCF), al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling, op de waarde van de delen van de maatschap A, die ingevolge zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de verzekeringscontracten die de begiftigden hebben onderschreven met geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen hiervoor nog in de plaats zal komen alsook op de interesten, vruchten, en de meerwaarden van het geschonkene of van hetgeen ervoor reeds in de plaats is gekomen of nog in de plaats zal komen indien de bestaande levensverzekeringscontracten door de maatschap worden afgekocht vóór het overlijden van de eerststervende van de echtgenoten “de vader - de moeder”?

4) dat, na het stellen van de voorgenomen verrichtingen, geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij of na het overlijden van zowel de eerststervende als de langstlevende van beide schenkers, noch op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF (desgevallend j. art. 2.7.3.2.8 VCF), al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling, op de waarde van de delen van de maatschap A, die ingevolge zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de verzekeringscontracten die de begiftigden hebben onderschreven met geschonken vermogensbestanddelen, dan wel op hetgeen hiervoor nog in de plaats zal komen (waaronder tevens te begrijpen enige uitkering of tegoed uit afkoop inzake de nieuw af te sluiten polissen) alsook op de interesten, vruchten, en de meerwaarden van het geschonkene of van hetgeen ervoor reeds in de plaats is gekomen of nog in de plaats zal komen indien de maatschap na afkoop van de bestaande levensverzekeringscontracten overgaat tot het afsluiten van één of meerdere nieuwe levensverzekeringscontracten?[24]

[TOP]

IV. Beslissing

118. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

119. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting en/of de registratiebelasting in het algemeen.

120. Op de vraag naar de gevolgen op het vlak van erfbelasting bij overlijden van de heer “de vader” en/of mevrouw “de moeder” in verband met de rechtshandelingen die reeds hadden plaatsgevonden (met name de handelingen omschreven onder randnummers 8 t.e.m. 25), kan niet verder worden ingegaan aangezien er geen voorafgaande beslissingen kunnen worden afgeleverd voor verrichtingen die reeds hebben plaats gehad.

121. Bovendien is Vlabel niet bevoegd om zich uit te spreken over de burgerrechtelijke geldigheid van het wijzigen van de modaliteiten van een reeds gedane schenking.

Het feit dat Vlabel uitspraak doet over de fiscale behandeling van de wijziging van de modaliteiten van de schenking, betekent niet dat Vlabel een standpunt inneemt in de mogelijke discussie of deze wijziging op burgerrechtelijk vlak al dan niet als een nieuwe schenking moet worden beschouwd.

122. Voor wat de goederen betreft die bij zaakvervanging in de plaats zouden komen van de oorspronkelijk geschonken goederen, kan enkel het volgende worden beslist: de Vlaamse Belastingdienst aanvaardt het principe van de conventionele zaakvervanging maar er kan geen concrete uitspraak over worden gedaan aangezien dit een loutere bewijsproblematiek betreft, waarover geen voorafgaande beslissing kan worden afgeleverd.

Vraag 1: Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF?

123. Artikel 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing:

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

124. Aangezien er met betrekking tot de betrokken goederen thans geen gesplitste inschrijving voor het vruchtgebruik en de blote eigendom bestaat, is artikel 2.7.1.0.7 VCF niet van toepassing.

Vraag 2: Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF?

125. Artikel 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als:

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

126. De schenking d.d. xx.xx.2014 werd gedaan onder de last om jaarlijks optioneel een rente van 4% van de waarde van de geschonken delen af te staan aan de schenker. Als last van de schenking d.d. xx.xx.2014 werd voorzien dat alle voorwaarden, lasten en modaliteiten van deze schenking ook gekoppeld worden aan de drie onrechtstreekse schenkingen die in 2010 werden gedaan, ter vervanging van de destijds overeengekomen voorwaarden, lasten en modaliteiten.

127. Er zou een aanpassing aan artikel 1 van de schenkingsakte “Last tot afstand van een rente” gebeuren door toevoeging van een nieuwe alinea waarbij voorzien wordt dat de hoogte van de opvraging van de rentes beperkt wordt, geformuleerd als volgt:

“De uitoefening van deze last kan uiteraard nooit tot gevolg hebben dat de Begiftigden meer dienen af te staan dan zij geschonken hebben gekregen. Dit dient aldus te worden geïnterpreteerd en gelezen dat de mogelijkheid tot het opvragen van achtereenvolgende rentes in hoofde van de Schenkers of van de langstlevende van hen, vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat er geen duidelijke schenking meer voorligt. Het opvragen van de achtereenvolgende rentes dient derhalve uiteraard steeds (in álle omstandigheden) aldus te gebeuren dat er een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers) en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden. Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen Partijen hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het opvragen of opnemen van de achtereenvolgende rentes ertoe leidt dat aan de Begiftigden meer zou kunnen worden gevraagd dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zijnde twee miljoen negenhonderdnegentienduizend vijfhonderdnegenenveertig euro zes eurocent (€ 2.919.549,6) voor wat betreft de Aandelen II en drie miljoen éénenzeventigduizend zeshonderdachtennegentig euro negenentachtig eurocent (€ 3.071.698,89) voor wat betreft de Aandelen I. In de mate de Begiftigden op een bepaald ogenblik van opvraging of opname niet minstens 40% van de totale waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenkingen, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 60% van de totale waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenking, zoals vermeld, opgevraagd aan de Begiftigden. Vanaf het ogenblik dat de Begiftigden wel minstens 40% van de totale waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers, of de langstlevende van hen, opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit meer dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de respectievelijke schenking, zoals vermeld, kunnen opvragen aan de Begiftigden.”

128. Hiermee wordt beoogd dat de last niet zo hoog gaat oplopen dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel zou opdringen.

129. Vlabel aanvaardt dat door de thans voorgelegde plafonnering van de last de schenking niet kan worden uitgeput, zodat er geen herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel zal gebeuren.

Vraag 3: Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?

130. Deze artikelen luiden als volgt:

Artikel 2.7.1.0.3, 3°, eerste lid VCF:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

(…)

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”

 Artikel 3.17.0.0.2 VCF:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

131. Om de reeds hoger aangehaalde redenen wordt geen uitspraak gedaan over de eventuele toepassing van de antimisbruikbepaling op de gestelde rechtshandelingen vóór de voorgelegde aanpassingen.

132. Het voorbehoud van stemrecht dat actueel op 3.074 delen van de burgerlijke maatschap B en op 3.440 delen van de burgerlijke maatschap A rust, zal volgens de aanvrager worden gereduceerd tot 2 delen van de burgerlijke maatschap B en 2 delen van de burgerlijke maatschap A door de integrale opheffing en vervanging van artikel 2 van de schenkingsakte “Voorbehoud van stemrecht” door volgende bepaling:

“De schenking wordt gedaan onder voorbehoud van stemrecht op twee (2) Aandelen I, te weten de aandelen met nrs. 1536 en 1537, en twee (2) Aandelen II, te weten de aandelen met nrs. 1720 en 1721, en zodoende dus onder de last dat de Schenkers (de heer “de vader” voor wat betreft het aandeel 1537 van de Aandelen I en het aandeel 1720 van de Aandelen II; en mevrouw “de moeder” voor wat betreft het aandeel 1536 van de Aandelen I en het aandeel 1721 van de Aandelen II) exclusief (en tevens met uitsluiting van de Begiftigden zelf), onherroepelijk en levenslang het stemrecht zullen uitoefenen verbonden aan de voormelde aandelen met nrs. 1536 en 1537 van de Aandelen I en de aandelen met nrs. 1720 en 1721 van de Aandelen II alsook op hetgeen al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging ervoor in de plaats zou komen.”

133. Er worden eveneens een aantal aanpassingen aan de statuten van de burgerlijke maatschappen voorgelegd teneinde de bevoegdheden van de schenkers/zaakvoerders af te zwakken tot loutere daden van beheer over de activa die de maatschap aanhoudt.

134. Ingevolge deze aanpassingen, waarmee aanvrager beoogt het niveau van het controlevoorbehoud over de burgerlijke maatschappen (en dus over de geschonken goederen) terug te schroeven, en mede gelet op de concrete omstandigheden van dit dossier, wordt aanvaard dat de mate van controlevoorbehoud voor de schenkers van die aard is, dat geen toepassing wordt gemaakt van artikel 3.17.0.0.2 VCF wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

Vraag 4: Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF j. artikel 2.7.3.2.8 VCF?

135. Artikel 2.7.1.0.6 VCF luidt als volgt:

Ҥ 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:

 1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;

 2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.

Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.

§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.

De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.

Dit artikel is niet van toepassing op :

 1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;

 2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;

 3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;

 4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.”

136. Artikel 2.7.3.2.8, §2 VCF luidt als volgt:

“In het geval van een levensverzekeringscontract wordt de belastbare grondslag van de sommen, renten of waarden, die aan de persoon, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, kunnen toekomen, verminderd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken.”

137. De vraag naar de toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF heeft zoals hoger gesteld betrekking op een reeds gestelde (rechts)handeling, met name de wijziging van de begunstigingsclausule, waarbij volgende principes in acht dienen te worden genomen. Wegens het ontbreken van rechtspersoonlijkheid is het niet de maatschap die verzekeringnemer is geworden, maar is (zijn) het de betrokken natuurlijke persoon (personen) die verzekeringnemer is (zijn). Om dezelfde reden is het niet de maatschap die de begunstigingsclausule heeft gewijzigd, maar de natuurlijk persoon die daar op dat moment voor bevoegd was, rekening houdend met de toenmalige statuten van de maatschap.

Volgens de toenmalige statuten was de zaakvoerder, zijnde de heer “de vader” en mevrouw “de moeder”, als enige bevoegd om een dergelijke handeling te verrichten. Letterlijk staat er in titel III, artikel 8, punt 2 van de statuten: “Indien de zaakvoerder beslist het vermogen van de Maatschap geheel of gedeeltelijk te investeren in een levensverzekering, zullen alle rechten, en onder andere de persoonlijke rechten verbonden aan dit contract van levensverzekering, worden uitgeoefend door de (opvolgende) zaakvoerder in het uitsluitende belang van de Maatschap en de achterliggende vennoten van de Maatschap, en dit zolang de Maatschap blijft voortduren.”

De wijziging van de begunstiging wordt dus geacht het werk te zijn van de heer “de vader” en mevrouw “de moeder”.

138. Daarom zal er, bij het overlijden van de heer “de vader” en/of mevrouw “de moeder”, wel degelijk toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.6 VCF, in combinatie met artikel 2.7.3.2.8 VCF.

139. Verder wordt er gevraagd naar de gevolgen van de overwogen volledige afkoop van de bestaande polissen.

In dat geval is er geen polis meer ten dage van het overlijden van de verzekeringnemer, zodat er geen uitkering meer kan gebeuren op basis van deze polissen, waardoor er geen toepassing kan zijn van artikel 2.7.1.0.6 VCF voor wat die polissen betreft.

140. De principes van de zaakvervanging werden hoger uiteengezet. Voor wat de nieuwe levensverzekeringscontracten betreft, gaat het hier om een loutere bewijsproblematiek, waarover geen voorafgaande beslissing kan worden afgeleverd. Er zal dienen te worden uitgemaakt door wie deze werden afgesloten, m.a.w. wie de verzekeringnemer is.

141. Aanvrager stelt dat de wijziging aan de modaliteiten van de schenking bij Belgische notariële akte zal gebeuren “waarbij tevens 3%[25] schenkbelasting zal worden betaald op de huidige waarde van de geschonken delen van de maatschap B die bij de schenkingsakte van xx.xx.2014 werden geschonken door de echtgenoten “de vader - de moeder” aan hun kinderen, alsook de huidige waarde van de delen van de maatschap A die door zaakvervanging in de plaats zijn gekomen van de vermogensbestanddelen die in 2010 via onrechtstreekse schenking aan de kinderen werden geschonken en vervolgend door hen in levensverzekeringscontracten werden geïnvesteerd”.

142. Aanvrager vermeldt eveneens dat zowel de aangepaste en gecoördineerde statuten van de maatschappen als de aangepaste schenkingsakte zelf ter registratie zullen worden aangeboden.

143. Deze beslissing heeft alleen betrekking op erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

 [TOP]

-----------

  • publicatie op 13.03.2019
 

[1] Volgens aanvrager zal mogelijks voor een aantal aandelen die behoren tot het vermogen van de maatschap B, de toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen worden gevraagd.

[2] Exclusief de tegoeden die sinds de oprichting de maatschap B reeds hebben verlaten of zullen verlaten, door dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen. Meer bepaald betreft het:

  • Een bedrag van […] ingevolge dividenduitkering op basis van het besluit van de algemene vergadering d.d. xx.xx.2018, hetwelk werd gebruikt door de begiftigden om de rentelast ten aanzien van de schenker te voldoen;
  • Een bedrag van […] ingevolge dividenduitkering op basis van het besluit van de algemene vergadering d.d. xx.xx.2017, hetwelk werd gebruikt door de begiftigden om de rentelast ten aanzien van de schenker te voldoen;
  • Een bedrag van […] ingevolge dividenduitkering op basis van het besluit van de algemene vergadering d.d. xx.xx.2016, hetwelk werd gebruikt door de begiftigden om de rentelast ten aanzien van de schenker te voldoen;
  • Een bedrag ten belope van de schenkbelasting en de aktekosten verbonden aan de voorgenomen verrichting dewelke ingevolge kapitaalvermindering voorafgaandelijk uit de maatschap zullen worden gehaald.

[3] Exclusief de tegoeden die sinds de oprichting de maatschap A reeds hebben verlaten of zullen verlaten, door dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen. Meer bepaald betreft het:

  • Een bedrag van […] ingevolge dividenduitkering op basis van het besluit van de algemene vergadering d.d. xx.xx.2017, hetwelk werd gebruikt door de begiftigden om de rentelast ten aanzien van de schenker te voldoen;
  • Een bedrag ten belope van de schenkbelasting en de aktekosten verbonden aan de voorgenomen verrichting dewelke ingevolge kapitaalvermindering voorafgaandelijk uit de maatschap zullen worden gehaald.

[4] Vr. en Antw. Kamer, 2013-2014, 10 december 2013, 144 (Vr. nr. 671 R. Mouton).

[5] Omzendbrief nr. 4/2012 d.d. 4 mei 2012.

[6] Omzendbrief nr. 4/2012 d.d. 4 mei 2012.

[7] Onderlijning zelf aangebracht.

[8] Projet de loi apportant des modifications aux lois sur les droits de succession, d’enregistrement et de transcription, Parl.St. Kamer 1918-1919, nr. 109, 7.

[9] M. Donnay,”Droits de succession et de mutation par décès”, Rép. Not., Tome XV, Livre XI, nr. 339-1.

[10] M. Donnay, Commentaar op het Wetboek der Successierechten, Brussel, Van Buggenhout, 1948, 250.

[11] Mogelijks zal voor een aantal aandelen die behoren tot het vermogen van de maatschap B, de toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen worden gevraagd.

[12] Voor de goede orde zij wel opgemerkt dat bij overlijden van de eerststervende van de echtgenoten “de vader – de moeder”, de langstlevende van de echtgenoten uiteraard wel erfbelasting zal betalen op de waarde van de helft van de rente (die alsdan van 4% naar 1,5% wordt verlaagd, i.e. dus op de op grond van de VCF berekende waarde van het verder verkrijgen van een rente van 0,75%) die hem of haar verder zal toekomen na overlijden van de eerststervende, en dit op grond van artikel 2.7.1.0.6 VCF.

[13] M. Donnay,  « Droits de succession et de mutation par décès », Rép. Not., Tome XV, Livre XI, nr. 339-1.

[14] W. Van Gerven, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 1998-99, 18-19.

[15] R. Barbaix, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen – Cambridge, Intersentia, 2016, 731-732, nr. 1269.

[16] Omzendbrief nr. 4/2012 d.d. 4 mei 2012.

[17] Projet de loi apportant des modifications aux lois sur les droits de succession, d’enregistrement et de transcription, Parl.St. Kamer 1918-1919, nr. 109, 8.

[18]Voor de goede orde zij opnieuw (zie reeds voetnoot 12)  opgemerkt dat bij overlijden van de eerststervende van de echtgenoten “de vader – de moeder”, de langstlevende van de echtgenoten uiteraard wel erfbelasting zal betalen op de waarde van de helft van de rente (die alsdan van 4% naar 1,5% wordt verlaagd, i.e. dus op de op grond van de VCF berekende waarde van het verder verkrijgen van een rente van 0,75%) die hem of haar verder zal toekomen na overlijden van de eerststervende, en dit op grond van artikel 2.7.1.0.6 VCF.

[19] Omzendbrief nr. 4/2012 d.d. 4 mei 2012.

[20] Parl. St. Vlaams Parlement 2004-2005, nr. 124/1, 11-12.

[21] Vr. en Antw. Vl. Parl., Vr. nr. 340, 4 maart 2011 (K. Schrijvers, antw. P. Muyters).

[22] Vr. en Antw. Kamer, 2013-2014, 10 december 2013, 144 (Vr. nr. 671 R. Mouton).

[23] Voor de goede orde zij opnieuw (zie reeds voetnoten 12 en 18) opgemerkt dat bij overlijden van de eerststervende van de echtgenoten “de vader – de moeder”, de langstlevende van de echtgenoten uiteraard wel erfbelasting zal betalen op de waarde van de helft van de rente (die alsdan van 4% naar 1,5% wordt verlaagd, i.e. dus op de op grond van de VCF berekende waarde van het verder verkrijgen van een rente van 0,75%) die hem of haar verder zal toekomen na overlijden van de eerststervende, en dit op grond van artikel 2.7.1.0.6 VCF.

[24] Het antwoord op bovenstaande vragen is steeds rekening te houden met de logica van artikel 2.7.1.0.6 VCF op de rente. Zie ook voetnoten 12, 18 en 23.

[25] Volgens aanvrager zal mogelijks voor een aantal aandelen die behoren tot het vermogen van de maatschap B, de toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen worden gevraagd.