Inbreng in het TIGV - Ontbindende voorwaarde - Ongelijke verdeling bij overlijden

Voorafgaande beslissing nr. 19022 dd. 24.06.2019

Artt 2.8.1.0.1.; 2.10.1.0.1.; 3.17.0.0.2. VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Mevrouw Y, hierna vermeld onder punt 2.2. wenst een eigen onroerend goed in te brengen in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV), waarbij deze inbreng gekoppeld wordt aan een ontbindende voorwaarde in geval van echtscheiding en een beding van ongelijke verdeling in geval van overlijden. De aanvragers wensen daarover het volgende bevestigd te zien:

1.1. Dat de Vlaamse Belastingdienst deze transactie niet zal belasten met schenkbelasting (art. 2.8.1.0.1 VCF).

1.2. Dat de Vlaamse Belastingdienst deze transactie niet zal belasten met verdeelrecht (art. 2.10.1.0.1. VCF) in geval van echtscheiding of uitoefening van het beding van ongelijk verdeling bij overlijden.

1.3. Dat deze transactie voor de Vlaamse Belastingdienst geen fiscaal misbruik vormt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF

[top]

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door de heer […], namens:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1972, en zijn echtgenote,

2.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1971, samenwonende te […].

3. De echtgenoten X-Y zijn gehuwd op xx.xx.1998 onder het stelsel van scheiding van goederen. Op xx.xx.2007 hebben partijen hun huwelijkscontract gewijzigd, in de zin dat zij een TIGV hebben opgericht.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

4. De aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, bij huwelijkscontract dd. xx.xx.1998. Op xx.xx.2007 hebben partijen hun huwelijkscontract gewijzigd, in die zin dat zij een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (hierna: TIGV) hebben opgericht waarin de gezinswoning, gelegen te […] werd ingebracht. Op heden wenst mevrouw Y over te gaan tot een bijkomende inbreng in het TIGV van een appartement in aanbouw, in residentie […], gelegen te […]. De blote eigendom van voormeld appartement behoort momenteel tot het eigen vermogen van mevrouw Y. Het levenslang vruchtgebruik van het appartement behoort toe aan de ouders van mevrouw Y.

5. Daar voormeld appartement, in samenspraak met de vruchtgebruikers, zal dienen als tweede verblijf van de echtgenoten X-Y en het appartement aldus gemeenschappelijk zal worden aangewend, willen de aanvragers dit onroerend goed op dezelfde wijze behandelen als de gezinswoning, die eerder werd ingebracht in het TIGV. Beide echtgenoten zullen immers samen instaan voor de verdere bouw en de inrichting van het appartement. Het is dan ook logisch dat het appartement een gemeenschappelijk goed wordt, waarbij beide echtgenoten elk een gelijk eigendomsrecht op dit appartement verkrijgen en waarbij de langstlevende echtgenoot bij overlijden van de andere echtgenoot zoveel als mogelijk wordt beschermd tegen de inmenging van de kinderen.

6. Om dit te verwezenlijken is het de bedoeling van de aanvragers om het appartement in te brengen in het TIGV, waarbij de inbreng gekoppeld wordt aan een ontbindende voorwaarde in geval van echtscheiding en aan een beding van ongelijke verdeling (keuzebeding) in geval van overlijden.

7. De ontbindende voorwaarde in geval van echtscheiding zal een niet-optionele ontbindende voorwaarde betreffen, waardoor het appartement te […] in ieder geval zal terugkeren naar mevrouw Y in het geval van een echtscheiding tussen de aanvragers. Mevrouw Y zal de heer Y in dat geval evenwel moeten vergoeden voor de door hem in het appartement geïnvesteerde bedragen.

8. Het beding van ongelijke verdeling (keuzebeding), dat toepassing krijgt in geval van overlijden, zal voorzien in een toebedeling van het TIGV aan de langstlevende echtgenoot volgens zijn of haar keuze, waarbij de mogelijk te maken keuzes zullen uiteengezet worden in het huwelijkscontract.

Volgende keuzes zullen worden voorzien:

  • De gezinswoning voor de langstlevende echtgeno(o)t(e) en de andere onroerende goederen voor de nalatenschap of omgekeerd;
  • De gezinswoning voor de langstlevende echtgeno(o)t(e) en alle andere goederen voor de nalatenschap of omgekeerd;
  • Alle onroerende goederen voor de langstlevende echtgeno(o)t(e) en alle roerende goederen voor de nalatenschap of omgekeerd;
  • De helft van het gemeenschappelijk vermogen voor de langslevende echtgeno(o)t(e) en de helft van het gemeenschappelijk vermogen voor de nalatenschap;
  • Het volledige gemeenschappelijk vermogen voor de langstlevende echtgeno(o)t(e).

Het huwelijkscontract zal daarbij de verwijzing opnemen naar artikel 1461 BW zodat het duidelijk is dat het beding is bedoeld als een modaliteit van de toebedeling van de huwgemeenschap.

In de mate dat de langstlevende echtgenoot, door toepassing van het beding van ongelijke verdeling, meer ontvangt dan de helft van het TIGV, zal de langstlevende echtgenoot evenwel erfbelasting dienen te betalen op dat deel.

9. In het kader van bovenvermelde doelstelling, wensen de aanvragers de bevestiging dat de Vlaamse Belastingdienst:

  • De inbreng van het appartement in het TIGV niet zal belasten met schenkbelasting (art. 2.8.1.0.1. VCF), doch enkel met het algemeen vast recht;
  • De terugkeer van het onroerend goed naar het eigen vermogen van mevrouw Y bij echtscheiding op basis van de ontbindende voorwaarde niet zal belasten met het verdeelrecht (art. 2.10.1.0.1 VCF);
  • De toebedeling ingevolge de uitwerking van het beding van ongelijke verdeling niet zal belasten met het verdeelrecht (art. 2.10.1.0.1 VCF);
  • Deze verrichting niet gaat beschouwen als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

10. Inzake de schenkbelasting:

De inbreng van het appartement in het TIGV betreft geen schenking, doch een huwelijksvoordeel. De inbreng betreft immers een voordeel die voor de heer X ontstaat ten nadele van mevrouw Y uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksvermogensstelsel (art. 1429bis BW). Een huwelijksvoordeel wordt louter en alleen verkregen als gevolg van de toepassing van het huwelijksstelsel en maakt geen schenking uit (artikelen 1429bis, 1458, 1464 BW).

De Huwelijksvermogenswet 2018 bevestigt nu expliciet dat deze kwalificatie van huwelijksvoordelen ook geldt voor voordelen die in een stelsel van scheiding van goederen worden toegekend (art. 1469, §1, vierde lid BW).

Bijgevolg dient de inbreng van het appartement in het TIGV te worden beschouwd als een handeling ten bezwarende titel. Er kan dan ook geen toepassing worden gemaakt van artikel 2.8.1.0.1 VCF.

Ons inziens kan deze verrichting enkel een registratie aan het gewoon vast recht doen ontstaan.

Des te meer daar het TIGV niet specifiek werd/wordt opgericht om het appartement in te brengen, doch dat het TIGV op heden reeds 12 jaar bestaat en de gezinswoning eveneens deel uitmaakt van het TIGV. Het opzet van het TIGV is om daar alle “gezinswoningen”, zijnde de woningen die door het gezin zelf worden aangewend, in onder te brengen.

11. Inzake het verdeelrecht:

Met betrekking tot de ontbindende voorwaarde bij echtscheiding In casu wordt de inbreng van het appartement in het TIGV gekoppeld aan een ontbindende voorwaarde bij echtscheiding. Deze ontbindende voorwaarde zal geen optioneel ontbindende voorwaarde betreffen, waardoor het appartement in ieder geval terugkeert naar mevrouw Y in geval van echtscheiding.

Volgens het eerdere standpunt van VLABEL met nummer 15059 dd. 20.04.2015 moet in dergelijk een onderscheid gemaakt worden tussen een ontbindende voorwaarde en een optioneel ontbindende voorwaarde die wordt gekoppeld aan de inbreng van een eigen goed in de huwgemeenschap: “als in het huwelijkscontract is voorzien dat de inbrengende echtgenoot de ingebrachte goederen in het geval van echtscheiding ZAL terugnemen (m.a.w. de betrokken echtgenoot heeft geen keuze), gaat het om de vervulling van een ontbindende voorwaarde waarop geen registratiebelasting verschuldigd is”.

Indien het gaat om een niet-optionele ontbindende voorwaarde, is VLABEL dus van oordeel dat er geen verdeelrecht dient te worden betaald wanneer het ingebrachte goed terugkeert naar de inbrengende echtgenoot.

Deze redenering van VLABEL dient ons inziens per analogie te worden toegepast op de echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen die een TIGV hebben opgericht.

12. Met betrekking tot het beding van ongelijke verdeling bij overlijden:

In casu wordt de inbreng van het appartement in het TIGV gekoppeld aan een beding van ongelijke verdeling bij overlijden, zoals voorzien in artikel 1461 BW. Bij overlijden van één van de echtgenoten, zal de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid hebben om te kiezen welke goederen uit het TIGV aan hem of haar worden toebedeeld.

Dergelijk beding van ongelijke verdeling vormt zonder twijfel een huwelijksvoordeel. Volgens de stelling van het Comité voor Studie en Wetgeving, die door de fiscale administratie wordt gevolgd zoals blijkt uit standpunt 16053, wordt het gemeenschappelijk vermogen bij een beding van ongelijke verdeling onmiddellijk, rechtstreeks en automatisch toebedeeld aan de langstlevende echtgenoot, op grond van het huwelijkscontract zelf. Van een overeenkomst van verdeling is er volgens het Comité voor Studie en Wetgeving geen sprake (X., “Nota van het Comité voor Studie en Wetgeving. Burgerrechtelijke en fiscale gevolgen van (optionele) huwelijksvermogensrechtelijke clausules die verband houden met de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen”, Notamus 2014, afl. 2, 7.).

Bijgevolg zijn er op de ongelijke verdeling van een onroerend goed dat behoort tot het gemeenschappelijk vermogen geen registratierechten verschuldigd. De langstlevende echtgenoot verkrijgt het onroerend goed immers niet via een overeenkomst tot verdeling, maar op grond van een beding uit het huwelijkscontract.

Deze redenering dient, naar analogie, ook te worden toegepast op echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, waarbij een keuzebeding wordt gekoppeld aan het TIGV.

Bijgevolg kan er ons inziens geen verdeelrecht worden geheven op deze verrichting.

Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4 VCF is de langstlevende echtgenoot evenwel erfbelasting verschuldigd op hetgeen hij of zij meer verkrijgt dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen of het TIGV.

13. Inzake het fiscaal misbruik:

Uit bovenstaande blijkt afdoende dat de voorgestelde regeling niet hoofdzakelijk is ingegeven door fiscale overwegingen.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

14. Het Burgerlijk Wetboek laat echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen uitdrukkelijk toe om - roerende en onroerende - goederen in de huwgemeenschap, in casu het TIGV, in te brengen. Deze inbreng op zich is niet aan de Vlaamse registratiebelasting onderworpen.

15. Noch de aanwezigheid van een ontbindende voorwaarde gekoppeld aan de inbreng bij echtscheiding, noch de mogelijkheid van de uitoefening van een beding van ongelijke verdeling bij overlijden hebben impact op deze niet-verschuldigdheid van Vlaamse registratiebelasting bij de inbreng.

16. Ingeval van echtscheiding zal de zuivere werking van de ontbindende voorwaarde geen aanleiding geven tot het heffen van Vlaamse registratiebelasting.

17. Ingeval van overlijden zal de uitoefening van een beding van ongelijke verdeling geen aanleiding geven tot het heffen van Vlaamse registratiebelasting. In de mate evenwel dat de langstlevende bij overlijden meer toebedeeld krijgt dan de helft van het beperkt gemeenschappelijk vermogen zal de erfbelasting worden geheven (art. 2.7.1.0.4 VCF).

18. Artikel 3.17.0.0.2 VCF  luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

De voorgenomen verrichting maakt op zich geen fiscaal misbruik uit in het kader van de in deze aanvraag onderzochte artikelen (artt. 2.8.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF). Aan de verrichting liggen andere dan fiscale motieven (vermeld in punt 5) ten grondslag.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratie – en erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

[top]

----------

  • publicatie op 23/07/2019